donderdag, 12 december 2019

Alvleesklierkanker (Pancreascarcinoom)

Alvleesklierkanker (pancreascarcinoom) is een kwaadaardige tumor in de alvleesklier. In het begin geeft de tumor geen klachten; later kun je last krijgen van buikpijn, veranderde ontlasting en geelzucht. Meestal wordt alvleesklierkanker pas in een laat stadium ontdekt. Wat zijn de risicofactoren en waaruit bestaat de behandeling?

Wat is alvleesklierkanker?

De alvleesklier ligt in de linkerbovenbuik. De alvleesklier produceert spijsverteringssappen en maakt hormonen die het bloedsuikergehalte reguleren. Een kwaadaardige tumor in de alvleesklier wordt alvleesklierkanker (pancreascarcinoom) genoemd.

De alvleesklier bestaat uit verschillende soorten cellen. Er zijn dus verschillende soorten alvleesklierkanker. In 95 procent van de gevallen is het een kwaadaardige tumor in de afvoerbuisjes van de alvleesklier (adenocarcinoom). Zeldzame tumoren die voorkomen in de alvleesklier zijn neuro-endocriene tumoren, Hamoudi-tumoren, acinaircelcarcinoom en Gruber-Frantz-tumoren.

Bij 75 procent van de mensen zit de tumor in de kop van de alvleesklier (pancreaskopcarcinoom). Bij de overige patiënten zit de tumor in het middelste gedeelte (vijftien tot twintig procent) of de staart (vijf tot tien procent).

Oorzaken

De precieze oorzaak van alvleesklierkanker is nog niet bekend. Bij ongeveer vijf procent van de patiënten speelt erfelijkheid een rol. Ook een chronische ontsteking van de alvleesklier (pancreatitis), bijvoorbeeld door alcoholgebruik, kan kanker veroorzaken.

Symptomen

In het begin geeft een tumor in de alvleesklier meestal geen klachten. Er ontstaan pas symptomen als de tumor groter wordt en doorgroeit in de organen of zenuwen om de alvleesklier of uitzaait naar de lymfeklieren, lever, longen of botten.

Veel voorkomende symptomen zijn:

  • zeurende pijn in de bovenbuik en/of rug
  • verstoorde ontlasting: obstipatie, vettige ontlasting
  • verminderde eetlust en gewichtsverlies
  • opgeblazen gevoel, veel boeren

Een tumor in de kop van de alvleesklier kan de grote galbuis blokkeren, waardoor de gal zich ophoopt. Symptomen van galophoping zijn:

  • geelzucht (gele huid en oogwit)
  • jeuk
  • misselijkheid en braken
  • diarree en lichtgekleurde ontlasting
  • donkere urine
  • vermoeidheid

Diagnose

Je huisarts vraagt naar je symptomen en doet lichamelijk onderzoek. Als hij/zij vermoedt dat je alvleesklierkanker hebt, verwijst de huisarts je naar een medisch specialist, zoals een internist of maag-darm-leverarts.

Meestal zijn de volgende onderzoeken nodig:

  • Bloedonderzoek om te bepalen of je een afsluiting van de galwegen hebt en hoe goed je andere organen werken.
  • Met een echo van de buik kijkt de arts of er inderdaad sprake is van een tumor.
  • Op een CT-scan van de buik en borstkas is te zien waar de tumor precies zit, hoe uitgebreid deze is en of er uitzaaiïngen zijn.
  • Met een MRI-scan kan de arts zien waar de tumor precies zien. Soms wordt een speciale MRI-scan gedaan om de alvleesklier en galwegen nog beter in beeld te brengen: een MRCP.
  • Een endo-echo kan nodig zijn om kleine tumoren op te sporen. De arts brengt een slang met een echo-apparaatje en camera in via je mond. Je kunt hiervoor een roesje (sedatie) krijgen.
  • Als je galwegen geblokkeerd zijn, kan een ERCP nodig zijn. Je krijgt een roesje, waarna de arts een slang met een camera inbrengt via je mond. Hij/zij plaatst een buisje (stent) in je galwegen, zodat de gal weer kan stromen.
  • Meestal haalt de arts tumorcellen weg voor verder onderzoek onder de microscoop. Dit wordt een punctie genoemd. Dit wordt gedaan tijdens een echo, CT-scan of endo-echo.

Met deze onderzoeken bepaalt de arts de ernst (stadium) van de ziekte.

  • Stadium 1: de kankercellen zitten alleen in de alvleesklier
  • Stadium 2: de tumor is uitgegroeid buiten de alvleesklier maar niet in de bloedvaten en/of er zijn uitzaaiingen in de lymfeklieren
  • Stadium 3: de tumor is uitgegroeid in de bloedvaten
  • Stadium 4: er zijn uitzaaiingen naar weefsels en/of organen die verder weg liggen, bijvoorbeeld de longen of de botten

Risicofactoren

Alvleesklierkanker komt vaker voor bij mensen boven de 65 jaar en bij mannen. Andere risicofactoren zijn roken, alcohol, overgewicht en suikerziekte (diabetes mellitus). Mensen met een langdurige ontsteking van de alvleesklier (chronische pancreatitis) hebben een hoger risico op kanker. Bij ongeveer vijf procent van de patiënten wordt de tumor veroorzaakt door erfelijke factoren; meerdere familieleden hebben dan alvleesklierkanker.

Behandeling

De behandelingsmogelijkheden zijn afhankelijk van het stadium van de ziekte. Als de ziekte vroeg wordt ontdekt, is genezing mogelijk. De klachten ontstaan meestal pas als de tumor groot is of er uitzaaiingen zijn, waardoor artsen de diagnose pas in een laat stadium kunnen stellen en genezing voor ongeveer drie kwart van de patiënten niet meer mogelijk is.

Als de tumor in een vroeg stadium ontdekt wordt, adviseren artsen een operatie. Soms is chemotherapie of bestraling (radiotherapie) nodig om de tumor kleiner te maken, voordat een operatie mogelijk is. Er zijn twee soorten operaties mogelijk. Met een Whipple-operatie verwijdert de chirurg de kop van de alvleesklier, samen met de twaalfvingerige darm (het eerste deel van de dunne darm), de galblaas en soms de sluitspier van de maag. De overgebleven delen van deze organen worden weer aangesloten op de dunne darm. Bij een kijkoperatie verwijdert de chirurg de staart en het middelste gedeelte van de alvleesklier en vaak ook de milt. Na een operatie kan de arts chemotherapie adviseren om de overlevingsduur iets te verlengen.

De meeste patiënten met alvleesklierkanker kunnen niet geopereerd worden. Zij krijgen een palliatieve behandeling om de symptomen zoveel mogelijk te verminderen. Bij geelzucht kan de arts bijvoorbeeld een buisje (stent) in de galwegen plaatsen, zodat de gal weer kan stromen. Palliatieve bestraling kan helpen om klachten te verminderen. Tegen de pijn kun je pijnstillers gebruiken, zoals paracetamol of morfine. Bestraling of het blokkeren van zenuwen kunnen ook pijn verminderen. Goede psychosociale begeleiding is belangrijk in deze laatste levensfase.

Prognose

Als de tumor niet is uitgezaaid en je geopereerd kunt worden, is er een kans op genezing. Na vijf jaar is twintig procent van de geopereerde patiënten nog in leven. Meestal is de tumor te groot of uitgezaaid wanneer de klachten ontstaan en de tumor wordt ontdekt. Genezing is dan niet meer mogelijk.

Hoeveel mensen na vijf jaar in leven zijn, hangt af van het stadium:

  • Stadium 1: 39 procent
  • Stadium 2: elf procent
  • Stadium 3 en 4: twee procent