vrijdag, 14 mei 2021

10 vragen over het medisch beroepsgeheim

Strikt vertrouwelijk of toch niet

Dokters, verpleegkundigen, psychotherapeuten: zonder uw toestemming mogen ze met niemand over uw behandeling praten, zo is de regel. Maar in de praktijk werkt het niet altijd zo. En soms dat is maar goed ook.

1. Wat is het medisch beroepsgeheim?
2. Voor wie geldt het beroepsgeheim allemaal?
3. Geldt het ook voor hulpverleners die officieel geen gezondheidszorg bieden, zoals maatschappelijk werkers?
4. Houden dokters zich goed aan het beroepsgeheim?
5. Wanneer geldt het beroepsgeheim niet?
6. Tegen welke problemen kun je aanlopen?
7. Waarom mag dat eigenlijk niet?
8. Welke gevolgen heeft de invoering van het elektronisch patiëntendossier (EPD) voor het beroepsgeheim?
9. Hoelang worden mijn medische gegevens eigenlijk bewaard?
10. Waar kan ik terecht als ik vind dat mijn behandelaar niet zorgvuldig met mijn gegevens omgaat?

1. Wat is het medisch beroepsgeheim?
Simpel gezegd: een zwijgplicht van zorgverleners. Die garandeert dat iedereen vrijelijk voor hulp bij een zorgverlener kan aankloppen en dat patiënten volledig open naar hun behandelaar kunnen zijn. 

2. Voor wie geldt het beroepsgeheim allemaal?
Voor iedereen die een vorm van gezondheidszorg aanbiedt. Bijvoorbeeld dokters, verpleegkundigen, bedrijfsartsen, fysiotherapeuten, GZ-psychologen, psychotherapeuten en tandartsen. Voor medewerkers die zelf geen zorg geven maar er wel bij betrokken zijn (zoals assistenten en secretaresses), geldt een afgeleid beroepsgeheim. Ook zij mogen dus niet zonder uw instemming met iemand anders over uw medische geschiedenis praten.

Overigens geldt het beroepsgeheim niet alleen tussen behandelaar en patiënt, maar ook tussen behandelaars onderling. Alleen als dat nodig is voor goede zorg mag een behandelaar medische gegevens met een collega delen. De huisarts van een patiënt met een allergie voor verdovingsmiddelen mag die informatie bijvoorbeeld doorgeven aan de tandarts van die patiënt. 

3. Geldt het ook voor hulpverleners die officieel geen gezondheidszorg bieden, zoals maatschappelijk werkers?
Zij hebben net zo goed een geheimhoudingsplicht. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor mensen die thuiszorg geven. Het verschil tussen deze groep en artsen is dat die laatsten ook een verschoningsrecht hebben. Dat wil zeggen dat zij mogen weigeren om vragen van justitie of politie te beantwoorden.

4. Houden dokters zich goed aan het beroepsgeheim?
Dat is moeilijk te zeggen. Bij de Zorglijn van de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) komen jaarlijks slechts enkele tientallen klachten binnen over misstanden in de omgang met medische gegevens. Ook het aantal tuchtzaken dat patiënten hierover aanspannen, is beperkt.

Zo bezien lijkt het dus meestal goed te gaan. Maar misschien is dat ook onwetendheid. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) meldde in juni dat van de negen door hen doorgelichte instellingen zich geen één hield aan de normen voor gegevensbescherming. Medewerkers keken bijvoorbeeld uit nieuwsgierigheid in de dossiers van mensen die ze kenden. Dat mag dus echt niet.

In een enquête van het tijdschrift Medisch Contact uit 2012 meldde 49 procent van de deelnemende artsen dat ze het beroepsgeheim in de praktijk weleens doorbreken. Overigens wil dat nog niet zeggen dat ze in al die gevallen ook echt buiten hun boekje gaan. Er zijn namelijk situaties waarin een hulpverlener zijn beroepsgeheim terzijde mag schuiven.

5. Wanneer geldt het beroepsgeheim niet?

  • Als een patiënt zelf toestemming heeft gegeven om zijn gegevens met iemand anders te bespreken: bijvoorbeeld als een man aan zijn huisarts laat weten dat zijn echtgenote zijn bloeduitslagen mag opvragen.
  • Als er sprake is van bepaalde besmettelijke infectieziekten, zoals hepatitis, tbc of mazelen: in dat geval is een arts verplicht dat bij de GGD te melden, zodat er maatregelen kunnen worden genomen.
  • Als een behandelaar een ‘conflict van plichten’ voelt: er moet dan een ernstig gevaar dreigen. Stel, een man mishandelt zijn vrouw herhaaldelijk. Als haar arts voor haar veiligheid vreest, mag hij de politie over die situatie informeren. Zelfs als de vrouw dat zelf niet wil.

6. Tegen welke problemen kun je aanlopen?
Soms vindt een patiënt dat zijn behandelaar het beroepsgeheim onterecht heeft geschonden, bijvoorbeeld bij het melden van een mishandeling of geslachtsziekte. Andersom kan ook: dat iemand meent dat een zorgverlener het beroepsgeheim juist te streng toepast. Daar hebben vooral naasten of nabestaanden van patiënten last van, bijvoorbeeld als zij het dossier van een overleden familielid niet mogen inzien.

7. Waarom mag dat eigenlijk niet?
Beroepsgeheim houdt niet op bij het overlijden. Als een patiënt niet vóór zijn dood duidelijk heeft aangeven dat zijn naasten zijn dossier mogen inzien, zal een dokter er dus van uitgaan dat hij dat niet wilde. 

8. Welke gevolgen heeft de invoering van het elektronisch patiëntendossier (EPD) voor het beroepsgeheim?
Geen. De patiënt bepaalt of zijn huisarts of ziekenhuis een EPD voor hem mag maken en zo ja, welke behandelaars die gegevens mogen inzien. Het is dus zeker niet zo dat alle zorgverleners daar zomaar in mogen kijken.  

9. Hoelang worden mijn medische gegevens eigenlijk bewaard?
Vijftien jaar, tenzij je na die tijd nog steeds voor dezelfde aandoening wordt behandeld of het bijvoorbeeld in verband met een erfelijke aandoening belangrijk is om uw dossier te bewaren.

10. Waar kan ik terecht als ik vind dat mijn behandelaar niet zorgvuldig met mijn gegevens omgaat?
In eerste instantie bij je behandelaar zelf. Als die je vragen niet naar tevredenheid beantwoordt, kun je contact leggen met de klachtenbemiddelaar of een klacht indienen bij de klachtencommissie van de instelling.

Een andere mogelijkheid is om een klacht in te dienen bij de tuchtrechter, of schadevergoeding te eisen bij de gewone rechter. In alle gevallen kan de afdeling Informatie en klachtenopvang van een zorgbelangorganisatie in de buurt je hierover adviseren. Kijk voor adressen op
www.zorgbelang-nederland.nl.

Met medewerking van prof. mr. Aart Hendriks, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Universiteit Leiden en coördinator gezondheidsrecht bij de artsenfederatie KNMG, en mr. drs. Martine Versluijs, senior adviseur bij de Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF).

Bron(nen):