dinsdag, 12 november 2019

Leerproblemen (intelligentieonderzoek)

Wanneer zich in een bepaalde fase van de schooltijd problemen voordoen rond het leren van uw kind, kunnen er om de oorzaak hiervan te achterhalen een aantal mogelijkheden worden onderzocht.

Bij de stappen die worden genomen, is niet steeds een vaste volgorde aanwezig, zoals dat bij een medisch onderzoek vaak wel het geval is. Evenmin is het altijd nodig om alle ter beschikking staande onderzoeken te doen. Het hangt dus van de situatie af voor welk onderzoek men kiest.

Eén van de mogelijkheden is het doen van een intelligentietest. Misschien zijn medische factoren meer waarschijnlijk. Ook kinderpsychiatrische- of emotionele oorzaken kunnen een rol spelen.

Een intelligentietest wordt gedaan om te beoordelen hoe het intelligentieniveau van uw kind is, maar ook om te bepalen op welk gebied van kennisvergaring het probleem zit. In het verslag worden veel vreemde begrippen gebruikt. Hieronder is enige uitleg gegeven wat er zo allemaal mee wordt bedoeld.

De door Wechsler ontworpen testen zijn bedoeld voor verschillende leeftijden. Zo is er voor  jonge kinderen de WPPSI (Wechsler Preschool and Primary Scale of Intelligence), voor kinderen van 6-16 jaar de WISC (Wechsler Intelligence Scale fot Children) en voor volwassenen de WAIS (Wechsler Adult Intelligence Scale).

Uit het intelligentieonderzoek komt een IQ tevoorschijn. Dat is een maat van hoe de geestelijke ontwikkeling van een kind zich verhoudt tot het gemiddelde wat bij die leeftijd hoort. Het gemiddelde is honderd. Dit wil zeggen dat de helft van de kinderen op deze score zitten en er evenveel een hogere als een lagere intelligentie hebben. Het gemiddelde IQ ligt tussen 85 en 115. Ligt het IQ onder 85 dan spreken we van zwak begaafd, tussen 70 en 79 geldt als moeilijk lerend niveau en tussen 50 en 69 geldt als een score op licht verstandelijk beperkt niveau. Een IQ boven 115 is bovengemiddeld en heb je een IQ boven 130 dan ben je begaafd.

Wat wordt er met een intelligentietest onderzocht?

Bij het intelligentie-onderzoek van kinderen van 6-16 jaar wordt in de WISC, op dertien verschillende gebieden onderzoek gedaan naar de wijze  waarop informatie wordt verwerkt. Dit zijn de zogenoemde dertien subtests, waarmee verbale en performale vaardigheden worden gemeten. Met verbale vaardigheden worden dingen bedoeld die ons via de taal worden doorgegeven. Een voorbeeld is de vergelijking: een kip staat tot een kuiken als een paard tot een ……. (veulen). Het gaat er hier om dat het kind het begrip of woord paard kent , maar ook doorziet dat het hier om het jong van dat dier gaat.

Bij de verbale vaardigheden, wordt aldus gekeken hoe het kind met taal kan omgaan om dat te gebruiken in het dagelijks leven.

Het performale IQ meet ruimtelijke en praktische vaardigheden. Het gaat er dan bijvoorbeeld om of het kind abstracte figuren kan herkennen, of voor zijn geestesoog bepaalde figuren kan voorstellen.

De verbale- (VIQ) en de performale-intelligentie (PIQ), vormen tesamen het Totaal IQ (TIQ).

Sommige onderdelen van de test meten ongeveer hetzelfde stukje van het functioneren van het kind. De prestatie van een kind op die gebieden kunnen worden samengevat in een factorscore. De WISC heeft drie factorscores, voor:

1. Verbaal begrip factor (VBF),( mondelinge taalvaardigheid, algemene ontwikkeling en kennis opgedaan via school en de dagelijkse ervaring) 

2. Perceptuele organisatie Factor (POF), ( opdrachten over ruimtelijk inzicht,waarneming die in een bepaalde tijd gedaan moeten worden) 

3. Geheugen, aandacht en snelheid van informatie verwerking (VS), (geeft de mate weer waarin informatie kan worden opgenomen vastgehouden en opnieuw kan worden weergegeven)

Vaak komt het voor dat de Verbale-  en de Performale-intelligentie  tamelijk ver uit elkaar liggen. Men spreekt dan van een disharmonisch profiel.

Een dergelijk disharmonisch profiel komt tamelijk vaak voor. Zo heeft ongeveer 30% van de kinderen een verschil van meer dan tien punten tussen hun verbale en performale IQ, terwijl 10% meer dan 20 punten verschil heeft. Het duidt er dus op dat veel kinderen in hun ontwikkeling sterke en zwakke functies hebben.

Een psycholoog kan op grond van de subtests en de factorscores beoordelen waardoor het met uw kind op school moeilijk gaat. Hiermee is dan ook de weg opengesteld naar de aanpak van de leerproblemen.