Gezondheidsnet.nl maakt gebruik van cookies: functioneel, om instellingen en voorkeuren te onthouden, voor beter en eenvoudiger navigeren en inloggen; analytisch, om bezoeken bij te houden en te bestuderen; voor commerciële doeleinden, om bij te houden hoe vaak bepaalde advertenties zijn getoond en geklikt; voor targeting doeleinden, om advertenties op uw interesses te kunnen aanpassen en zodat andere sites ook gerichte advertenties kunnen tonen. Door hiernaast op akkoord te klikken, of door gebruik te blijven maken van deze website gaat u hiermee akkoord. Lees voor meer informatie ons Cookiebeleid.

Akkoord
zondag, 25 juni 2017

Insulinetherapie bij diabetes type 1

Je glucosewaardes op peil

Voor mensen met diabetes type 1 is het belangrijk om de bloedglucosewaardes in hun bloed in de gaten te houden. Deze mag niet te laag worden, want een hypo ligt op de loer. Maar met injecties en juiste voeding kom je een heel eind.

Iemand met diabetes type 1 moet dagelijks insuline spuiten omdat zijn lichaam dit niet meer zelf maakt. Vaak wordt hiervoor een mengsel van kort werkende en lang werkende insuline gebruikt. De patiënt moet twee keer per dag worden geïnjecteerd met dit mengsel: voor het ontbijt en voor het avondeten.

Balans

Dit schema geeft weinig vrijheid. Wil iemand bijvoorbeeld iets extra's eten, dan heeft hij eigenlijk extra kort werkende insuline nodig. Door het inspuiten van het mengsel krijgt hij ook meer lang werkende insuline toegediend. Dit kan later op de dag aanleiding geven tot te lage bloedglucosewaardes.

Er is meer flexibiliteit als vaker kleinere hoeveelheden van kort werkende insuline apart kunnen worden toegediend. De patiënt kan dan meer variëren in het aantal maaltijden en inspelen op wisselende omstandigheden. De balans wordt dan gevonden door:

  • Een injectie kort werkende insuline, die voor iedere maaltijd wordt toegediend. Deze insuline-injectie dient om de koolhydraten te verwerken, die je met elke maaltijd binnen krijgt.
  • Een injectie lang werkende insuline, die voor het slapen gaan wordt toegediend. Deze injectie geeft de basishoeveelheid insuline. Dit is de hoeveelheid die nodig is om gedurende de nacht en de volgende dag een bepaalde hoeveelheid insuline in het bloed te hebben.

De plaats van de insuline injectie

Insuline kan op verschillende plaatsen toegediend worden. Bij een intensief regime zal de kortwerkende insuline snel werkzaam moeten zijn. De insuline moet dan snel in het bloed worden opgenomen. Een plaats waar dit gebeurt is de buik, daar wordt de injectie dan ook vaak ingespoten.

De lang werkende insuline dient als basis en moet langzaam en geleidelijk in het bloed worden opgenomen. De voorkeursplaats om deze insuline te injecteren is één van  de bovenbenen. Soms kan het verstandig zijn om de insuline op een andere plaats toe te dienen. De behandelend arts kan dit met de patiënt bespreken.

Aanpassing van de dosering

Op grond van de gemeten bloedglucosespiegels wordt de insulinedosering als volgt aangepast:

  • Lang werkende insuline: de dosis wordt veranderd op grond van de  nuchtere bloedglucosewaardes. De patiënt moet oppassen dat de bloedglucosespiegel in de loop van de nacht niet te laag wordt.
  • Kort werkende insuline: de dosis wordt aangepast op grond van de bloedglucosewaardes voor de volgende maaltijd of voor het slapen gaan. De dosis kan variëren. Hoe groot de dosis is, hangt bijvoorbeeld af van de grootte en de samenstelling van de maaltijd, lichamelijke inspanning, enzovoort.

Te lage bloedglucosewaardes (hypo)

Een goede instelling verkleint de kans op hypoglycemie. Dit noemen we ook wel een hypo. De grens tussen goede en (te) lage bloedglucosewaardes is namelijk heel klein.

Bij een hypo is de hoeveelheid glucose in het bloed te laag, namelijk onder de 4 mmol/l. Het gevolg is dat organen te weinig glucose krijgen om te verbranden. Vooral voor de hersenen is dat een probleem, omdat zij vrijwel uitsluitend glucose kunnen verbranden. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld spieren die ook vetten als brandstof gebruiken.

Te lage glucosewaardes roepen verschillende lichamelijke reacties op: zweten, trillen, vermoeidheid en honger. Als de bloedglucosewaardes nog verder dalen, krijgen de hersenen te weinig glucose.

Dat leidt tot moeheid, duizeligheid, concentratieproblemen, angst, slechter zicht, moeilijk praten en verwardheid. De patiënt kan dan zelf vaak niet meer de juiste maatregelen nemen. Als de glucosewaardes nog verder dalen, kan er een epileptische aanval ontstaan of zelfs een coma.

Glucose verhogen

Een hypo is op te lossen door de glucosewaardes te verhogen. Dat kan door het eten of drinken van snel werkende koolhydraten, zoals een glas limonade of druivensuiker. Bij een ernstige hypo is het soms nodig dat er (door iemand anders) glucagon wordt ingespoten. Glucagon zorgt ervoor dat de hoeveelheid glucose in het bloed stijgt.

Zorgboek Diabetes type 1

€ 19,95

 

Reactie toevoegen