vrijdag, 18 oktober 2019

De werking van het geheugen

Het begin van herinneringen

"Waar had ik mijn sleutel voor het laatst?" Honderd dagen van je leven besteed je aan zoeken. Naar bril, portemonnee of sleutels. Je probeert te herinneren waar je het voor het laatst zag. Waarom heb je dat niet onthouden? Om dat te begrijpen, moet je eerst iets van het geheugen weten.

Je geheugen is meer dan een kaartenbak met informatie. Je slaat niet alleen feiten op, maar al je zintuigen leggen herinneringen vast. Hoe iets ruikt, smaakt, voelt, klinkt. Al die indrukken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Vandaar dat er een heleboel herinneringen in je opkomen als je plots weer de zeep ruikt die je oma altijd gebruikte. En ongetwijfeld weet je dan ook weer hoe je je voelde als je bij je grootouders speelde.

Grootmoedercel

Om te snappen hoe informatie opgeslagen wordt, moet je een beetje weten hoe het brein in elkaar steekt. In de hersenen zitten miljarden zenuwcellen (neuronen), die met ontelbare verbindingen met elkaar kunnen communiceren.

Vroeger werd er gedacht dat elke herinnering in een aparte zenuwcel zit. Er zou zoiets bestaan als een 'Grootmoedercel'. In deze neuron zou de herinnering aan je oma zitten. Als deze cel dood zou gaan, zou je dus ook je oma niet kunnen herinneren.

Zo simpel is het echter niet. Een herinnering zit op veel verschillende plaatsen in de hersenen. Je onthoudt dingen doordat je hersenen nieuwe verbindingen leggen tussen neuronen. Als je je iets probeert te herinneren moet je dus ook een heel netwerk van neuronen aanspreken en niet een enkele cel.

Lange en korte termijn

Hoe werkt dat dan precies, het onthouden van informatie? Dat gebeurt in drie stappen. Je moet je voorstellen dat je via je omgeving allerlei sensorische informatie binnenkrijgt. Via je zintuigen komen die prikkels binnen. Geuren, stemmen, beelden, maar ook indrukken vanuit je lichaam zoals gevoelens. Kortom een chaotische wirwar aan prikkels.

  1. Je sensorisch geheugen slaat al die indrukken heel even op. Maar dan wel voor maar drie tot vijf seconden. Je begrijpt dat het sensorische geheugen een grote capaciteit heeft.
  2. Al deze informatie kun je niet onthouden. Je richt je aandacht alleen op hetgene wat je belangrijk vindt. Je probeert bijvoorbeeld een telefoonnummer te onthouden wat je intoetst op je telefoon. Deze getallen komen in je kortetermijngeheugen (werkgeheugen). Gemiddeld kun je zeven dingen tegelijkertijd actief houden in je werkgeheugen. Zo kun je net lang genoeg het telefoonnummer onthouden om het te draaien. Maar meteen erna weet je het nummer al niet meer. Laat staan de volgende dag. Dit stukje geheugen gebruik je ook als je een ingewikkelde rekensom uit je hoofd probeert te doen. Hiermee onthoud je de tussenuitkomsten die je net hebt uitgerekend. Als je iets hebt onthouden in je kortetermijngeheugen komt het nog niet persé in je langetermijngeheugen terecht.
  3. Om informatie op te slaan in het langetermijngeheugen (referentiegeheugen) moet je er vaak wat meer aandacht aan besteden. Soms is het nodig om informatie vaker te herhalen of om het in verband te brengen met andere dingen die je al weet. Een pincode is makkelijker te onthouden als het je geboortedatum is. En je geboortedatum weet je al. Hierdoor komt het makkelijker in het langetermijngeheugen terecht. In dit geheugen sla je feiten en gebeurtenissen op (declaratief geheugen), maar ook hoe je iets moet doen (procedureel geheugen).

Onbewust onthouden

Informatie in je geheugen heb je lang niet allemaal bewust opgeslagen. We hebben een heleboel onthouden zonder het te weten. Dit noemen we het impliciete geheugen. Zo denken we dat we advertenties en reclames niet meer zien. We besteden er geen bewuste aandacht aan en kunnen niet eens herinneren welke reclames op televisie zijn geweest. Maar toch kopen we over het algemeen vaker het product dat onlangs gepromoot is geweest.

Bron(nen):