dinsdag, 22 september 2020

Allogene stamceltherapie

Stamcellen zijn unieke cellen in het beenmerg of bloed die zich kunnen ontwikkelen tot rode bloedcellen, witte bloedcellen, en bloedplaatjes. Het doel van behandelingen zoals bestraling en chemotherapie is het vernietigen van kankercellen. Helaas lopen beenmerg- en andere gezonde cellen schade op bij dit proces.
 
Bij een allogene stamceltransplantatie krijgt de kankerpatiënt na een behandeling gezonde stamcellen van een donor. De beste stamceldonor is een broer of zus die een weefseltype heeft dat zo dicht mogelijk dat van de patiënt benadert. 
 
Het weefseltype is bepaald door erfelijke antigenen op witte bloedcellen, HLA's genaamd. Hoe meer de HLA's van de donor en de patiënt overeenstemmen, hoe succesvoller een allogene stamceltransplantatie waarschijnlijk zijn. 
 
Voor patiënten die geen familielid hebben met geschikt weefsel, kan een donor worden opgespoord via een beenmergregister. Wanneer een geschikte donor is gevonden, kunnen stamcellen uit het bloed van de donor worden gewonnen via een eenvoudige procedure die aferese heet. 
 
Daartoe wordt een paar dagen voor het inzamelen medicatie toegediend om de stamcellen ertoe aan te zetten om van het beenmerg naar het bloed te verhuizen. Bloed wordt vanuit een arm afgetapt en door een celscheider geleid, een apparaat waarin de stamcellen worden verwijderd. De resterende bloedbestanddelen worden via de katheter weer teruggevoerd in de andere arm.
 
Stamcellen worden via een centrale lijn teruggevoerd of 'getransplanteerd' in het lichaam. Het duurt 2 à 3 weken eer de getransplanteerde stamcellen gaan groeien en gezonde nieuwe bloedcellen beginnen te produceren.
 
De getransplanteerde cellen kunnen worden afgestoten wanneer de donorcellen door het lichaam van de patiënt worden beschouwd als vijandig. Om een afstotingsreactie te voorkomen, krijgt de patiënt gewoonlijk de eerste 3 à 6 maanden na een transplantatie medicijnen toegediend.