woensdag, 25 november 2020

Trombocytopenie

 
Bloedcellen worden aangemaakt in het beenmerg. De drie belangrijkste onderdelen van het bloed zijn rode bloedcellen, die zuurstof vervoeren, witte bloedcellen (leukocyten), die infecties bestrijden, en bloedplaatjes, trombocyten genaamd, die een rol spelen bij het stollen van bloed.
 
Als een bloedvat beschadigd is, hechten bloedplaatjes zich aan het oppervlak van het beschadigde vat en geven chemische stoffen af. Deze stoffen trekken meer bloedplaatjes en ook rode bloedcellen aan, die vervolgens samen een stolsel, of trombus, vormen. Naarmate het stolsel groeit, vernauwt het vat zich, waardoor bloedverlies beperkt blijft. 
 
Een normaal gehalte aan bloedplaatjes ligt in de orde van grootte van 150.000 à 350.000 bloedplaatjes per microliter. Trombocytopenie is een tekort aan bloedplaatjes. Als de hoeveelheid bloedplaatjes afneemt, kan het lichaam geen stolsels meer maken en kan het dus geen bloedingen meer stoppen. Relatief lichte verwondingen kunnen dan al leiden tot kneuzingen  en bloedingen. Als het aantal bloedplaatjes tot beneden de 10.000 bloedplaatjes per microliter daalt, kunnen ook spontane bloedingen zonder letsel optreden. 
 
Trombocytopenie kan optreden als bijwerking van chemotherapie. Kankermedicijnen doden niet alleen kankercellen, ze kunnen ook de cellen van het beenmerg aantasten die bloedplaatjes vormen. De ernst van deze aandoening hangt af van het soort chemotherapie en de duur van behandeling. Gelukkig kan trombocytopenie die veroorzaakt wordt door chemotherapie, worden bestreden met de transfusie van bloedplaatjes, met extra medicijnen zoals bloedcelgroeifactoren, of met bloedstamceltransplantaties.
Trefwoorden: