maandag, 23 september 2019

Bloed- en Bloedplaatjestransfusie

 
Het bloed dat door het lichaam circuleert, bestaat uit meerdere bestanddelen: rode bloedcellen, die zuurstof vervoeren, witte bloedcellen of leukocyten, die infecties tegengaan, en bloedplaatjes, ook wel trombocyten genaamd, die helpen bij het vormen van bloedstolsels. Het lichtbeige, vloeibare deel van het bloed wordt plasma genoemd. Bij het behandelen van kanker en het bestrijden van de symptomen ervan is soms bloedtransfusie vereist. 
 
Een transfusie is de toediening van bloed of bloedbestanddelen via een katheter, een buis die in het lichaam wordt gestoken via een intraveneuze (IV) naald, een centrale veneuze katheter (CVC) of een perifeer ingebrachte centrale katheter (PICC). Bij een transfusie kan volledig bloed of één of meer bloedbestanddelen worden toegediend. Die kunnen van een donor afkomstig zijn, of voorafgaand aan de therapie van de ontvangende patiënt zelf zijn gewonnen. 
 
Voorafgaand aan een transfusie moet het bloed van de ontvanger worden geanalyseerd om vast te stellen welke bloedonderdelen hij of zij nodig heeft. Als de patiënt symptomen van bloedarmoede vertoont en onderzoek wijst een tekort aan rode bloedcellen uit (RBC), worden rode bloedcellen toegediend. Als het lichaam niet voldoende zuurstof ontvangt, kan de patiënt last krijgen van vermoeidheid, duizeligheid en kortademigheid
 
Patiënten die chemotherapie krijgen, krijgen vaak een tekort aan rode bloedcellen, een toestand die chemotherapie-geïnduceerde bloedarmoede wordt genoemd. Patiënten met deze aandoening krijgen rode donorbloedcellen toegediend die uit het bloed zijn gewonnen. Deze apart gewonnen rode bloedcellen heten 'packed red cells'.
 
Patiënten die lijden aan bloedingen, kunnen een tekort hebben aan bloedplaatjes. Dat ontstaat wanneer beenmergcellen die ze produceren, beschadigd zijn door chemotherapie of bestraling. Bepaalde vormen van kanker, zoals leukemie, kunnen eveneens tot een te lage hoeveelheid bloedplaatjes leiden. Voor patiënten die een transfusie van bloedplaatjes nodig hebben, moeten die eerst uit het plasma worden gewonnen. Plasma bevat slechts weinig bloedplaatjes. Daarom zijn meerdere eenheden donorbloedplasma nodig voor het winnen van één eenheid bloedplaatjes.
 
Plasma kan ook worden toegediend aan patiënten met bepaalde verwondingen of problemen met stolling. Als plasma van bloed is gescheiden, kan het worden ingevroren om later te worden gebruikt. Ontdooid plasma wordt 'fresh, frozen plasma' of FFP genoemd. 
 
Als is vastgesteld welke bloedbestanddelen moeten worden toegediend, moet het bloed worden getest om vast te stellen of het geschikt is voor de patiënt. Er zijn twee tests die kunnen worden gedaan om te zien of bloed of een bloedbestanddeel van een donor geschikt is voor de ontvangende patiënt.