donderdag, 12 december 2019

Welk type pillenslikker ben jij?

Struisvogel, twijfelaar, criticus of op-safe-speler?

De een vertrouwt blind op de dokter. De ander checkt nauwgezet alle bestanddelen van een voorgeschreven middel. In welk type herken jij je? En hoe kun je (nog) beter met je medicijnen omgaan?

Medicijnen kunnen je gezonder maken – als je er maar goed mee omgaat. Uit verschillende wetenschappelijke onderzoeken in binnen- en buitenland blijkt dat 30 tot 50 procent van alle medicijngebruikers geneesmiddelen niet (altijd) gebruiken zoals het moet. Ze slaan bijvoorbeeld af en toe een pil over of passen op eigen houtje de dosering aan.

Anderen gebruiken de middelen langer dan nodig of stoppen er juist voortijdig mee. Uit onderzoek van apothekers blijkt dat er vier verschillende type medicijngebruikers zijn.

1. De Struisvogel

Wat hij denkt
De dokter kan wel zeggen dat ik pillen moet slikken, maar ik heb nergens last van. Ik neem mijn medicijnen als ik eraan denk, en ja, soms vergeet ik ze. Dat vertel ik de dokter trouwens niet. Die heeft het beste met me voor en ik wil hem niet teleurstellen.

Waar komt die gedachte vandaan?
Medicijnen herinneren je eraan dat je lichaam niet werkt zoals het zou moeten. Sommige mensen willen daar liever niet bij stilstaan. Omdat ze (onbewust) bang zijn voor de dood of omdat ze niet als patiënt willen worden gezien. Begrijpelijk, zieke mensen worden nogal eens als uitgerangeerd beschouwd.

Om eens over na te denken…
Herken je dit denkpatroon? Je bent niet de enige die de kop in het zand steekt; angst voor ziekte is de normaalste zaak van de wereld. Maar sommige medicijnen werken minder goed als ze onregelmatig worden ingenomen, therapietrouw is belangrijk. Eens een cholesterolverlager overslaan is meestal geen drama. Slordig gebruik van bloeddrukverlagers kan echter tot (gevaarlijke) schommelingen in bloeddruk en hartritme leiden.

Sommige geneesmiddelen werken vooral preventief, het effect is niet meteen merkbaar. Dan kan het lastig zijn om jezelf te motiveren om ze in te blijven nemen. Laat de arts (nog eens) uitleggen waarom dat toch belangrijk is. Schroom niet om twijfels met hem of de apotheker te bespreken. Daar zijn deze deskundigen immers voor.

2. De Op-safe-speler

Wat hij denkt
Ik slik nu vijf jaar bloeddrukverlagers en antidepressiva. Daar ben ik mee begonnen na mijn scheiding. Van de stress kwam ik vijftien kilo aan, mijn bloeddruk schoot omhoog en ik zag het niet meer zitten. Al die jaren heb ik nooit één pil overgeslagen. Ik vind het een prettige gedachte, zo’n steuntje in de rug. Bovendien: de dokter heeft nooit gezegd dat ik ermee moet stoppen.

Waar komt die gedachte vandaan?
Het geeft een machteloos gevoel wanneer je lichaam je onverwacht in de steek laat. Medicijnen kunnen niet alleen helpen om het probleem op te lossen of te verminderen, ze geven ook een gevoel van controle. Dat werkt geruststellend.

Om eens over na te denken…
Prima dat je je aan het voorschrift houdt, maar ga af en toe na of je alle medicijnen nog nodig hebt. Ben je afgevallen of beweeg je meer, dan is de kans groot dat je lichaam de hoge bloeddruk of het hoge cholesterolgehalte zelf heeft hersteld. Ook voor andere medicijnen is het zinvol om eens per jaar te bespreken met de arts die ze heeft voorgeschreven of je ze moet blijven gebruiken.

3. De Twijfelaar

Wat hij denkt
Natuurlijk wil ik van mijn klachten af, maar eigenlijk vind ik dat mijn lijf het zelf moet oplossen, zonder pillen. Bovendien weet ik niet of ik die onnatuurlijke rommel wel binnen wil krijgen. Zeker nu ik de bijsluiter heb gelezen. Al die bijwerkingen...

Waar komt die gedachte vandaan?
Sommige mensen zien het gebruik van geneesmiddelen als een teken van zwakte. Het hoort een beetje bij onze calvinistische cultuur: als je voorbestemd bent om ziek te worden, moet het lichaam zichzelf maar herstellen. Bovendien is het een beangstigend idee dat vreemde stoffen van binnen van alles teweegbrengen.

Om eens over na te denken…
Veel schade kan je lichaam zelf herstellen, maar soms heeft het daarbij hulp van buitenaf nodig. Geneesmiddelen bevatten vaak een mix van natuurlijke en chemische stoffen, elk met hun eigen werking. Datzelfde geldt trouwens voor voeding. Neem (de natuurlijke) cafeïne in koffie en thee. Deze heeft direct invloed op de werking van hersenen en darmen. Zo 'hard' is het onderscheid tussen natuurlijk en onnatuurlijk dus niet.

Medicijnfabrikanten zijn wettelijk verplicht om alle bijwerkingen die ooit zijn voorgekomen, in de bijsluiter te vermelden. Dat zijn dus vaak hele waslijsten. Logisch dat je daar zenuwachtig van wordt. Maar meestal is de kans klein dat je er last van krijgt. Vraag je huisarts of apotheker hoe groot het risico is op verschillende bijwerkingen en wat je dan kunt doen. Op de site van het Nederlands Bijwerkingen Centrum vind je hier meer informatie over.

4. De Criticus

Wat hij denkt
Ik hoor de kassa van de pillendraaiers al rinkelen. Je maakt mij niet wijs dat ik de rest van mijn leven elke dag zo’n tablet moet slikken. Volgens mij werken ze ook niet. Op internet lees je alleen verhalen van mensen die er meer last van hebben dan dat ze er baat bij hebben.

Waar komt die gedachte vandaan?
Mensen die sceptisch zijn over medicijngebruik, hebben daar (in hun ogen) goede redenen voor. Ze hebben bijvoorbeeld gehoord over de winsten van medicijnfabrikanten, of ze kennen mensen die nare ervaringen hebben met geneesmiddelen. Bovendien vinden ze het vaak moeilijk hun dokter met zijn boekenkennis te vertrouwen.

Om eens over na te denken…
Het klopt dat bijna niet één geneesmiddel bij iedereen 100 procent doeltreffend is. Maar je kunt er wel van op aan dat de medicijnen die de dokter voorschrijft, kwalitatief goed zijn. In Nederland wordt daar streng op toegezien. Wil je weten hoe dat in zijn werk gaat, kijk dan eens op de website van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Twijfel je over het nut van een bepaald medicijn, dan kunt je altijd de apotheker of een andere arts om een second opinion vragen.

Met medewerking van prof. dr. Marcel Bouvy (hoogleraar farmaceutische patiëntenzorg aan de Universiteit Utrecht) en prof. dr. Arie Dijkstra (hoogleraar gezondheidspsychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen).

Bron(nen):