maandag, 21 oktober 2019

5 dingen die je moet weten over vetcellen

Heb je ze eenmaal, dan houd je ze

Vetcellen! Je hebt ze waarschijnlijk liever niet dan wel. Toch hebben vetcellen een functie en heb je ze nodig. We geven je 5 interessante feiten over vetcellen.

1. Hoeveelheid vetcellen wordt in je jeugd bepaald

Een baby met mollige armpjes of een dreumes met rolletjes bij de benen. Dat hollands welvaren is niet zo onschuldig als je misschien denkt. Tijdens de kindertijd kunnen vetcellen zich flink vermeerderen. Bij het ene kind wat sneller dan bij het andere. Vetcellen groeien doordat er vet in wordt opgeslagen. Dat gebeurt vooral in periodes van flinke groei in de kindertijd en de pubertijd. Het groter worden van vetcellen wordt ‘hypertrofie’ genoemd. Als een vetcel van een kind eenmaal té groot is, splits die vetcel zich op. En zo groeit het aantal. Het splitsen van vetcellen stopt zo rond het 20e levensjaar. Gedurende je hele volwassen leven blijft het aantal vetcellen verder constant, zo rond de 50 miljard. Wel sterven er in je lichaam constant cellen af. Ook vetcellen. Maar die worden ook weer bijgemaakt. Ieder jaar vervangt je lichaam op deze manier zo’n 10 procent van je vetcellen. Het bijzondere is: het totale aantal blijft wel gelijk. Vetcellen zitten vooral op buik, billen en bovenbenen. Je vetcellen vormen zo samen het grootste orgaan in je lichaam.

2. Afvallen of aankomen heeft geen invloed op aantal vetcellen

Zelfs als je na je 20e flink afvalt of aankomt, houd je hetzelfde aantal vetcellen. Wel kunnen de cellen groeien en krimpen: stel je hebt flink overgewicht en verliest aardig wat kilo’s, dan verandert de hoeveelheid vet per vetcel. Het aantal vetcellen blijft echter gelijk. Zelfs als je echt veel gewicht verliest door bijvoorbeeld een maagband of maagverkleining. En als je als volwassene aankomt, betekent dit dus dat er in de cellen die je hebt, meer vet opgeslagen wordt, niet dat je meer vetcellen aanmaakt. Alleen door liposuctie, een techniek waarbij onderhuids vetcellen met een holle naald weggezogen word, kun je vetcellen kwijtraken. Tijdelijk! Het bijzondere is dat het lichaam heel goed is in het gelijk houden van het aantal vetcellen dat je als twintiger had. De vetcellen komen namelijk terug, vaak op een andere plek. Uit onderzoek is gebleken dat de vetcellen bij vrouwen vaak terugkomen bij de borsten. Ongeveer 40 procent van de vrouwen groeit na liposuctie 1 of meerdere cupmaten door extra vetcellen in dat gebied.

3. Bij veel vetcellen is het lastiger om blijvend af te vallen

Heb je eenmaal veel vetcellen dan is het moeilijker om een slanke volwassene te worden of te blijven. De extra vetcellen raak je namelijk nooit meer kwijt. En vetcellen maken het hormoon leptine aan. Via leptine communiceren vetcellen met je hersencellen, waardoor je eetlust wordt geremd. Als je als volwassene met overgewicht flink afvalt, houd je je aantal vetcellen, maar deze zijn minder met vet gevuld. Deze lege of kleinere vetcellen geven minder leptine af. En dit zorgt ervoor dat je sneller een hongersignaal krijgt. Dat zou een oorzaak kunnen zijn van het moeilijk op gewicht blijven als je als kind al zwaar was.

4. Vetcellen zijn actief

Vaak wordt gezegd dat spiercellen actief zijn en vetcellen niet. Maar vetcellen hebben wel degelijk taken in je lichaam. Zo slaan ze niet alleen vet op, ze maken bijvoorbeeld ook honderden hormonen aan die van invloed zijn op je energiestofwisseling. Eén van die hormonen is leptine. Leptine is niet alleen belangrijk voor het reguleren van je eetlust, ook voor je afweersysteem. Als je een te laag vetpercentage hebt hebt en dus weinig leptine aanmaakt, kun je sneller ziek worden. Je afweersysteem is dan niet sterk genoeg voor onschuldige virussen, bacteriën en schimmels.

5. De plaats van de vetcellen is belangrijk voor je gezondheid

Voor je gezondheid is het bepalend wáár het vetweefsel zich vooral gevormd heeft. Vet rond de buik is bijvoorbeeld schadelijker dan vet rond de heupen. Vet dat in je buik zit, komt ook rond de organen in je buik terecht. Denk aan je lever, nieren en alvleesklier. Vet rond de organen kan bijvoorbeeld de suikerstofwisseling in de lever en de spieren beïnvloeden en dit geeft op lange termijn een verhoogde kans op diabetes. Daarnaast maakt buikvet ontstekingsstoffen aan, die de kans op hart- en vaatziekten verhogen. Goede reden dus om vooral bij buikvet in actie te komen.

Bronnen: