zondag, 8 december 2019

5 vragen over een verzamelstoornis

Verzamelwoede: niets kunnen wegdoen

Postzegels, suikerzakjes of ansichtkaarten sparen is natuurlijk een onschuldige hobby. Kun je amper meer rondlopen in je huis omdat het zo vol staat? Verzamel je dwangmatig bepaalde objecten en wil je ze absoluut niet wegdoen? Misschien is er dan meer aan de hand. Vijf vragen over de zogenaamde verzamelstoornis beantwoord.

1. Wat is een verzamelstoornis?

Mensen die een verzamelstoornis (in de volksmond vaak 'verzamelwoede' of 'verzameldrang' genoemd) hebben, voelen een sterke behoefte om bepaalde objecten te bewaren. Het wegdoen van deze dingen gaat gepaard met een gevoel van lijden.

Omdat iemand met een verzamelstoornis moeite heeft om bezittingen weg te doen leidt dit tot de verzameling van een grote hoeveelheid spullen. Woonruimtes in het huis van die persoon gaan hierdoor zó vol staan dat hij of zij ze nauwelijks voor hun eigenlijke functie kunnen gebruiken.

2. Hoe ontstaat een verzamelstoornis?

Het is niet te voorspellen wie een verzamelstoornis krijgt. Er zijn wél diverse factoren van invloed op het ontwikkelen van de stoornis. Er zit een genetische component aan verbonden. Ongeveer 50 procent van de mensen met een verzamelstoornis geeft aan dat een familielid ook verzamelt.

Een psychische factor die de verzamelstoornis beïnvloedt is besluiteloosheid. En soms heeft er aan het begin van de stoornis, of voorafgaand aan het verergeren van de symptomen, een traumatische gebeurtenis plaatsgevonden.

Dwangmatig verzamelen begint op jonge leeftijd en gaat door tot in de latere levensfasen. In de leeftijd van 11-15 jaar zijn de eerste verschijnselen te zien. Verzamelsymptomen komen bij oudere volwassenen (55-94 jaar) bijna drie keer zo vaak voor als bij jongere volwassenen (34-44 jaar).

3. Heeft iedereen die een verzameling aanlegt een verzamelstoornis?

Nee, zeker niet. De diagnose verzamelstoornis kan alleen gesteld worden door een specialist als een psychiater of psycholoog. De persoon met een verzamelstoornis moet dan aan een aantal kenmerken voldoen. Hij of zij heeft bijvoorbeeld aanhoudende moeite om spullen weg te doen of er afstand van te nemen, ongeacht de werkelijke waarde. Het wegdoen van deze spullen gaat ook gepaard met psychisch lijden. Meer kenmerken vind je hier.

4. Waarom gooien ze hun spullen niet gewoon weg?

Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Juist omdat mensen met een verzamelstoornis een sterk gevoelde behoefte hebben bepaalde voorwerpen te bewaren en zij er psychisch onder lijden als zij deze voorwerpen moeten wegdoen, is het belangrijk hier de behandeling op toe te spitsen.

De verzamelstoornis is niet eenvoudig te behandelen, maar met cognitieve gedragstherapie specifiek gericht op de verzamelstoornis kan een persoon leren bezittingen op te ruimen en weg te doen, om helderder te denken over bezittingen én om de neiging te beheersen nieuwe spullen in huis te halen. Ook zoeken behandelaren de persoon vaak thuis op om hem of haar vanuit daar waar de symptomen zich vooral uiten, te kunnen helpen. 

Er is nog maar weinig onderzoek gedaan naar behandeling van een verzamelstoornis met medicijnen. Het onderzoek dat gedaan is laat wisselende resultaten zien.

5. Kunnen mensen met een verzamelstoornis ervan genezen?

Nee, dat niet. Mensen die behandeld worden (bijvoorbeeld met cognitieve gedragstherapie) moeten aan hun verzamelproblemen blijven werken. De kans op terugval is namelijk groot. Uit onderzoek blijkt dat cognitieve gedragstherapie bij veel mensen met de verzamelstoornis zorgt voor verbetering in de hoeveelheid spullen in huis, en ook voor verbetering in hoe zij zich voelen. Wel hadden zij na de behandeling nog een meer dan gemiddelde hoeveelheid spullen in huis en moesten ze blijven werken aan hun verzamelproblemen.

Meer weten?

Meer weten over de verzamelstoornis? Ga naar www.psychischegezondheid.nl/verzamelstoornis en doe de kennisquiz van Fonds Psychische Gezondheid om te zien wat jij er vanaf weet.

Hulp nodig?

Heb jij of een naaste last van verzamelproblemen? Praat over je problemen met iemand in je omgeving die je vertrouwt. Of neem contact op met je huisarts. Je huisarts kan je, indien nodig, verwijzen naar passende hulp.
 

Bron(nen):