dinsdag, 22 oktober 2019

Carpaal-tunnelsyndroom

Tintelingen en pijn in hand en vingers

Heb je vaak last van tintelingen of een doof gevoel in je hand, steken deze klachten vooral ’s nachts de kop op en worden ze minder als je met je hand schudt? Dan kan het zijn dat je last hebt van het carpaal-tunnelsyndroom (CTS).

Ook klachten als onhandigheid bij het pakken van een voorwerp en een stekende pijn die vanuit je hand richting de schouder omhoog trekt kunnen horen bij deze aandoening.

Wat is het carpale-tunnelsyndroom?

Het carpale-tunnelsyndroom is een beknelling van de middelste handzenuw (nervus medianus) in de pols. Deze zenuw loopt van je onderarm door je pols naar je hand. Samen de buigpezen loopt de nervus medianus door de carpale tunnel. Deze tunnel ligt aan de handpalmzijde van je pols en wordt gevormd door de handwortelbeentjes en een stevig peesblad tussen pink en duimmuis. Als de tunnel te nauw is, raakt de zenuw in de knel. De klachten die hiermee gepaard gaan worden het carpale-tunnelsyndroom genoemd.

Verhoogd risico

Vrouwen hebben vaker last van CTS dan mannen. De klachten ontstaan meestal tussen het 40e en 60e levensjaar. Hoe vaak het precies voorkomt is echter niet bekend. Als je vocht vasthoudt, kun je ook last krijgen van de aandoening, bijvoorbeeld als gevolg van een zwangerschap of wanneer de schildklier te traag werkt. Overgewicht, diabetes type 2 en reumatoïde artritis zijn eveneens risicofactoren voor het carpaal-tunnelsyndroom.

Oorzaak van de beklemming

De carpale tunnel is nauw, dus bij een beetje zwelling komt de middelste handzenuw al in de knel. Er zijn verschillende mogelijke oorzaken voor de zwelling. Zo kan veelvuldig gebruik van de hand – zeker als je met de hand of pols snelle, steeds dezelfde bewegingen maakt - er voor zorgen dat de pezen die in de carpaal tunnel liggen geïrriteerd raken en zwellen. Datzelfde geldt als je handen, polsen of armen veel trillen, bijvoorbeeld bij werken met een drilboor. Ook als je je handen steeds lang achter elkaar naar voren of achteren gebogen houdt, kan er irritatie ontstaan.

Verder kan de zwelling het gevolg zijn van een ongeval waarbij de pols beschadigd raakt. Zoals eerder aangegeven kunnen zwangerschap - en ook de overgang - , reumatoïde artritis, diabetes type 2 en een vertraagde functie van de schildklier ook CTS veroorzaken.

Symptomen

De beknelling van de nervus medianus kan verschillende klachten geven:

  • tintelend of doof gevoel in duim, vingers en handpalm (zelden in de pink)
  • pijn in de hand of vingers, kan uitstralen naar de onderarm, elleboog en zelfs schouder
  • slapende vingers of hand
  • gevoelloze, stijve vingers of hand
  • minder kracht in de hand, vooral in de duimspier

’s Nachts kunnen de klachten van het carpaal-tunnelsyndroom je slaap verstoren. Ook worden de klachten vaak erger als je je hand veel gebruikt. Het verlies van kracht en gevoel in de hand kan ervoor zorgen dat je sneller dingen uit je handen laat vallen. Bij beginnende klachten gebeurt dit vooral ’s ochtends, maar na verloop van tijd kan dit ook de hele dag aanhouden. De klachten komen vaak aan beide handen voor.

Stellen van de diagnose

Op basis van het klachtenpatroon kan de diagnose vermoed worden. Voor bevestiging zal een arts naast lichamelijk onderzoek vaak een elektromyografie (EMG) aanvragen. Met dit onderzoek kan de geleidingssnelheid van een zenuw worden gemeten: bij een beklemde zenuw is deze snelheid namelijk lager. Met bloedonderzoek en röntgenfoto worden soms andere oorzaken uitgesloten.

Verminderen van pijn

Wanneer je lichte klachten ervaart, maakt rust vaak al veel verschil. Het bewegen van de handen zonder ze te veel te belasten helpt soms ook. Je kunt bijvoorbeeld de polsen buigen en strekken, een vuist maken, de vingers strekken en spreiden of met je handen wapperen. Bij een kwart van de mensen met CTS verdwijnen de klachten binnen een jaar zonder behandeling.

Beperken de klachten je in het dagelijks leven, dan is een spalk een goede optie om de pols wat te ontzien. Draag de spalk in ieder geval ’s nachts en zo mogelijk ook overdag. In vier weken moeten de klachten dan beduidend minder zijn. Merk je na zes weken nog geen verschil, dan heeft het geen zin om de spalk te blijven dragen.

Behandelen van ernstigere klachten

Bij meer pijn of ernstigere klachten kan een arts beslissen om een spuit in de plooi van de pols te zetten. Het gaat hierbij om een injectie met een ontstekingsremmer (corticosteroid). De druk in de carpale tunnel kan hierdoor afnemen, waardoor de klachten verdwijnen of verminderen. Helpt de injectie niet of nauwelijks, dan kun je twee tot drie weken later eventueel nog een injectie krijgen. Wanneer deze tweede spuit echter ook geen verschil maakt, hebben meer injecties geen zin.

De kans op genezing is overigens groter als de klachten nog niet zo lang bestaan, als je jong bent of als de klachten tijdens de zwangerschap zijn ontstaan.

Operatie bij carpaal-tunnelsyndroom

Blijven de klachten aan en zijn ze flink beperkend in het dagelijks leven, dan behoort een operatie nog tot de mogelijkheden. Deze operatie is niet heel ingrijpend en kan onder plaatselijke verdoving. Tijdens de operatie wordt het dak van de carpale tunnel doorgesneden, waardoor de zenuw meer ruimte krijgt. Dit duurt ongeveer 15 tot 30 minuten.

De kans op herstel na afloop van deze operatie is 90 procent. De klachten verdwijnen meestal na een paar dagen, maar het duurt vaak toch een aantal weken tot maanden voor je weer alles kunt doen. Dit is sterk afhankelijk van de ernst en duur van de beklemming.

Recidief na operatie

Een klein percentage van de mensen die last hebben van het carpaal-tunnelsyndroom, krijgt opnieuw last van deze aandoening (recidief). Het gaat om minder dan halve procent. Meestal treedt dit recidief CTS enkele jaren na de eerste operatie op. Opnieuw opereren behoort dan tot de mogelijkheden. Het litteken wordt dan meestal iets uitgebreid.

Naast het recidief komen soms ook verklevingen van de zenuw aan het litteken of de buigpezen voor. Dit geeft vaak pijn bij het bewegen van de vingers of een hinderlijk en doof gevoel. Deze klachten zijn dan in tegenstelling tot bij CTS juist niet 's nachts aanwezig. Bij verklevingen wordt de zenuw losgemaakt van het litteken. Daarna wordt er vetweefsel tussen de zenuw en het litteken gelegd om nieuwe verklevingen te voorkomen.

Bron(nen):