woensdag, 11 december 2019

Prik in de bilspier effectief bij heupartrose

Een prik in de bilspier met corticosteroïden is effectief als pijnstiller voor patiënten met heupartrose, ook wel heupslijtage genoemd. Het effect houdt bovendien lang aan, zo’n twaalf weken. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Desiree Dorleijn van het Erasmus MC. Tot nu toe krijgen patiënten een prik in het heupgewricht, maar die ingreep is veel complexer.

Dorleijn onderzocht twee groepen van in totaal 107 patiënten met pijnlijke heupartrose met elkaar. De ene groep kreeg een injectie met een nepmiddel in de bil, de andere groep kreeg een injectie met werkzame stof. Vóór de injectie was de gemiddelde pijnscore (op een schaal van 10) 4,3.

In de groep die het placebo kreeg, daalde de score na twee weken naar gemiddeld 3,9. In de groep die corticosteroïden kreeg, daalde de gemiddelde score naar 2,6. Het effect hield gemiddeld twaalf weken aan.

Voordelen

Een behandeling met een injectie in de bil biedt een aantal grote voordelen ten opzichte van een injectie in het heupgewricht. Patiënten hoeven voor een prik in de bilspier niet naar het ziekenhuis. Een injectie in het gewricht dient te worden gegeven op de afdeling Radiologie, omdat de specialist met echografie of röntgenfoto moet kijken waar de injectie kan worden gezet. Een prik in de bilspier kan door de huisarts worden gegeven. De nieuwe methode is daardoor tevens veel goedkoper.

Waardevolle aanvulling

Het effect van de injectie in de bilspier niet vergeleken met het effect van een injectie in het gewricht. Volgens de promovenda moet de injectie in de bilspier dan ook gezien worden als een waardevolle aanvulling op het bestaande behandelprotocol. "De prik in de bil is vooral een goede tussenstap. In de toekomst zou de prik in de bilspier vergeleken kunnen worden met de injectie in het gewricht. Ook zou onderzocht kunnen worden of knieartrose op een zelfde manier behandeld kan worden met een prik in het bovenbeen in plaats van in het kniegewricht."

Desiree Dorleijn promoveert op 25 januari 2017 op haar bevindingen aan het Erasmus MC.

Bron(nen):