donderdag, 5 december 2019

Vijf olympische wintersporten

De minder bekende sporten op een rij

Eens in de vier jaar vinden de Olympische Winterspelen plaats. Schaatsen, skiën en snowboarden kent bijna iedereen. Weet je ook hoe de resterende vijf sporten werken? En kun je ze ook zelf beoefenen? Bobsleeën, biatlon, curling, ijshockey en rodelen: de vijf minder bekende olympische sporten op een rij.

Bobsleeën

Sinds 1924 is bobsleeën een olympische sport. Er zijn drie onderdelen tijdens de winterspelen: tweemansbob en viermansbob voor de mannen en de laatste paar jaar is er ook een tweemansbob voor de vrouwen. Elk onderdeel bestaat uit vier pogingen (ook wel manches genoemd). Op één dag rijd je twee manches.

Bobsleeën is een sport waarbij je in een bestuurbare slee een ijsparcours aflegt met veel bochten. De eerste 50 meter van het parcours maak je hardlopend snelheid. Zo’n bobslee kan wel 150 kilometer per uur bereiken. Door deze snelheid zijn bochten erg moeilijk te nemen en moet je dus een goede techniek hebben.

Biatlon

Vroeger moesten militairen op langlaufski’s op doelen schieten om te oefenen als het winter was. Biatlon (ook vaak geschreven als biathlon) stamt uit deze tijd. De bedoeling bij biatlon is dat je zo snel mogelijk een ronde langlauft en vervolgens op vijf doelen schiet. Deze doelen liggen op 50 of 100 meter afstand en moet je liggend, hurkend of staand treffen. Mis je, dan moet je een strafronde langlaufen en dit kost natuurlijk tijd.

Het moeilijke van biatlon is dat je van een zware inspanning tijdens het langlaufen terug moet komen naar rust tijdens het schieten. Schieten gaat het beste met een lage hartslag. Je moet dus kiezen of je snel gaat tijdens het langlaufen en met hoge hartslag aankomt bij het schieten of dat je je wat meer inhoudt tijdens het langlaufen en weer beter kunt schieten. Het blijft hierdoor (vooral voor de kijker op televisie) vaak spannend tot het einde.

Voor de fanatiekeling is er ook zomerbiatlon. In plaats van skiën, hardloop je dan een bepaalde afstand.

Curling

Sinds 1998 is curling een officiële olympische wintersport. De gooier, ook wel skip genoemd, “schuift” een grote, zware, granieten steen van bijna 20 kilogram over glad ijs. Dit doet hij of zij met een lichte draai naar links of rechts: de curl. Hier komt de naam curling vandaan.

De bedoeling is dat de steen precies op de goede plek stil blijft liggen: in de roos. Hiervoor zijn blauwe en rode cirkels in het ijs getrokken zoals bij een dartbord. De roos noem je ook wel het huis en het midden van de roos noem je de dolly. De overgebleven teamgenoten volgen de steen aan de zijkant en vegen met een speciale bezem voor de steen uit. Hiermee beïnvloeden ze de baan van de steen en verhogen zo nodig zijn snelheid.

Een wedstrijd bestaat uit tien rondes, ook wel ends genoemd. Er zijn altijd twee teams met ieder vier spelers. Per end mag elk teamlid twee keer gooien. Een team scoort punten als hun stenen het dichtst bij de dolly liggen nadat iedereen is geweest in een end. Bij curling is samenwerking erg belangrijk, maar ook de individuele prestatie. Je moet werken met precisie en controle.

IJshockey

IJshockey is een populaire olympische sport. Het staat al vanaf 1920 op het olympische programma. Pas vanaf 1998 kwam er een onderdeel voor de vrouwen. IJshockey is vooral in Europa en Noord-Amerika populair en is een zeer intensieve sport. Zoals bij ons in Nederland voetbal de grootste sport in het land is, is dat in Canada ijshockey. De spelers bewegen snel en er is veel fysiek contact toegestaan.

Het doel van ijshockey is erg eenvoudig: doelpunten scoren. Je speelt met een puck: een platte schijf van rubber. Deze mag je spelen met de stick of de schaats. Hij mag ook door de lucht vliegen en je mag je handen gebruiken om hem op de grond te krijgen. Met je handen mag je verder niet spelen.

Een ijshockeyteam bestaat uit zes spelers. Een keeper (goalie), drie aanvallers (forwards) en twee verdedigers (defensmen). Wisselen kan onbeperkt, het spel gaat gewoon door.

Doordat het een fysieke sport is, zijn de spelers goed beschermd. Ze hebben een helm, scheen- en elleboogbescherming, een bescherming voor borst en schouders en handschoenen aan. De goalie is nog beter ingepakt.

Rodelen

Rodelen behoort, net als bobsleeën, tot de sleesport. Sleeën is begonnen als transportmiddel, maar tegenwoordig is het een leuk tijdverdrijf. Sleetje rijden doe je vaak je als kind al, maar je kunt het ook als officiële sport beoefenen.

Bij rodelen lig je op je rug op een smalle slee, met je voeten naar het dal gericht. Je rodelt op speciale, geprepareerde rodelbanen. Deze hebben hierdoor geen hobbels en kuilen. Daarnaast zitten er extra veel bochten in om het rodelen moeilijker te maken. De slee heeft beweegbare delen waarmee je stuurt. Het doel is om zo snel mogelijk beneden te komen. Er zijn snelheden behaald van wel 140 kilometer per uur.

Rodelen staat sinds 1964 op het programma van de Olympische Spelen. Bij de mannen is er een single en een dubbel onderdeel, bij de vrouwen alleen een single. Single betekent dat je in je eentje in een rodelslee zit en dubbel met zijn tweeën. Er bestaat ook nog een teamestafette. Bij de singles bestaat een onderdeel uit vier runs, bij de dubbels uit twee runs. De tijden worden bij elkaar opgeteld en degene of het team met de scherpste tijd wint.

Zelf doen

In principe kun je al deze sporten ook zelf beoefenen. Stap naar een vereniging waar ze de sport aanbieden. De ene is wel iets lastiger dan de ander. Zo zijn ijshockey, biatlon, bobsleeën en curling sporten die in dit land niet veel beoefend worden en ze vereisen veel techniek en training.

Bij olympisch rodelen is dit ook nodig, maar hier zijn ook makkelijke varianten van. Zo betekent rodelen eigenlijk sleeën en dit kun je natuurlijk iedere winter doen als er sneeuw ligt. Bovendien zijn er in Nederland verschillende rodelbanen zonder sneeuw. Veel attractieparken hebben een rodelbaan, waar je zittend in een karretje naar beneden gaat. Je kunt hier zelf de snelheid bepalen, maar niet de koers. Ook in Valkenburg (Limburg) kun je goed rodelen en er zijn een aantal rodelbanen in Duitsland te vinden.

In Arnhem zit een groot sportcentrum: Papendal. Bij dit sportcentrum heb je de mogelijkheid om bobsleeën, biathlon of curling te beoefenen.

Bron(nen):