zaterdag, 31 oktober 2020

Glaucoommedicijnen

In het oog bevinden zich twee met vocht gevulde holtes. Het heldere, waterige oogvocht in de voorste holte heet kamervocht. Dit vocht wordt doorlopend aangemaakt in het straallichaam in de achterste oogkamer. Het oude kamervocht wordt afgevoerd via het trabeculaire netwerk en via kleine afvoerkanaaltjes.
 
Bij mensen met glaucoom is het trabeculaire netwerk aangetast, waardoor het kamervocht niet goed afgevoerd kan worden. Daardoor ontstaat druk in het oog en vervolgens ook in de achterste oogkamer. De toenemende druk op de achterzijde van het oog kan de gezichtszenuw beschadigen en leiden tot zichtproblemen en zelfs volledige blindheid.
 
Er bestaan verschillende oogdruppelmedicijnen die vaak worden voorgeschreven voor patiënten met glaucoom. Eén middel bindt zich aan receptoren op de haarvaten van het straallichaam. Die trekken daardoor samen, waardoor de aanmaak van kamervocht wordt geremd en de oogdruk afneemt.
 
Een ander middel werkt op de uveosclerale route, een alternatieve afvoerweg voor overtollig vocht naar de straalspieren onder het trabeculaire netwerk. Dit geneesmiddel verandert de cellen van de straalspieren. Het vergroot de intercellulaire ruimte waarlangs het vocht kan weglopen en verlaagt op die manier de druk binnen in het oog.
Trefwoorden: