maandag, 26 oktober 2020

Scheelzien (strabismus, strabisme)

Ogen die niet naar één punt kijken

Als je scheel ziet, kijken je ogen niet naar hetzelfde punt. Hierdoor werken ze niet goed samen en ontstaan er problemen zoals een lui oog of dubbelzien. Wat zijn de volgen van scheelzien voor kinderen en volwassenen?

Bij scheelzien – of in medische termen strabismus of strabisme – staat eén oog een afwijkende kant op. Verder naar binnen richting neus of juist naar buiten, naar boven of beneden gericht of een combinatie daarvan. Zo’n 3 à 5 procent van de bevolking heeft er last van. Het komt vooral bij kinderen voor, maar ook volwassenen kunnen scheelzien. Hoe jonger het ontdekt wordt, hoe groter de kans is op herstel.

​Oorzaken

Strabismus kan aangeboren zijn, maar ook het gevolg van een ziekte, ongeval of een brilsterkteafwijking. Verziendheid zorgt ervoor dat je erg je best moet doen om scherp te zien, waardoor je scheel kunt gaan kijken. Soms is er iets mis met de oogspieren, waardoor deze het oog scheeftrekken. In sommige families komt scheelzien veel voor, dus erfelijke factoren spelen ook een rol.

Lui oog door dubbelzien

Via elk oog komt er een net iets ander beeld binnen. Je hersenen voegen deze informatie samen tot één plaatje. Als je scheel kijkt, zijn de twee beelden te verschillend. Je brein kan daar geen kloppend beeld van maken en je ziet alles dubbel. Dat heet diplopie. Bepaalde kinderen die scheelzien houden een hand voor één oog of knijpen een oog dicht zodat ze niet meer dubbelzien.

Tot een jaar of 8 lossen de hersenen dubbelzien op door één oog als het ware uit te zetten. De hersenen concentreren zich op het andere oog, waardoor het gezichtsvermogen van het uitgeschakelde oog zich niet goed ontwikkelt. Dat heet amblyopie, of in de volksmond een lui oog.

Behandeling

Soms valt scheelzien bij kinderen meteen op. De huisarts verwijst je dan door naar een oogarts. De behandeling kan langdurig zijn. In veel gevallen komt het kind onder behandeling van de oogarts en/of een orthopist. Een orthoptist meet de visus en onderzoekt de samenwerking tussen beide ogen en de oogmotoriek, spoort afwijkingen en de gevolgen daarvan op.

Niet bij iedereen valt scheelzien meteen op. Soms is de afwijking zo klein dat je het haast niet ziet. Sommige kinderen kijken ook alleen af en toe scheel, bijvoorbeeld als ze moe zijn.

Tijdens de controles op het consultatiebureau wordt er naar de ogen gekeken, dus daar kan scheelzien geconstateerd worden. Geef het op het consultatiebureau aan als er in de familie meer mensen scheelzien, een lui oog hebben gehad of een sterke bril nodig hebben.

De oogarts meet indien nodig een bril aan. Soms verdwijnt het scheelzien daardoor al. Daarnaast kan het goede oog afplakken vaak een lui oog en het scheelzien verhelpen. Bij een deel van de kinderen is er een operatie nodig. Hierbij worden onder narcose de oogspieren verkort of verplaatst om de ogen 'recht te zetten'.

Volwassenen

Volwassenen kunnen nog steeds last hebben van scheelzien en een lui oog. Vroeger werd daar minder goed op gecontroleerd dan nu, dus het werd niet altijd opgemerkt. Een lui oog is bij volwassenen niet meer te verhelpen. Je kunt wel om cosmetische redenen je ogen operatief recht laten zetten. Dat is echter niet altijd mogelijk. Soms hebben de hersenen zich zo goed aangepast aan het scheelzien, dat je na een operatie juist dubbel zou gaan zien.

Op latere leeftijd ontstaat scheelzien vaak door een slechter functionerende of uitgevallen hersenzenuw. Dat kan het gevolg zijn van een infarct, gezwel, diabetes of een andere aandoening. Ook aangetaste oogspieren, een ongeval of ander oogletsel kan scheelzien veroorzaken bij volwassenen. Na het 8e levensjaar kunnen de hersenen het dubbelzien niet meer opheffen. Een lui oog krijg je dus niet meer, maar je ziet wel dubbel. Een operatie aan de oogspieren kan ervoor zorgen dat de ogen weer goed gaan samenwerken.