zondag, 15 december 2019

11 vragen over dotteren

Waarom dotteren meestal succesvol is

Mede dankzij dotterbehandelingen is het aantal mensen dat aan hart- en vaatziekten overlijdt, sinds 1980 met ruim een derde gedaald. Hartspecialist Robert-Jan van Geuns legt uit hoe dat komt en hoe je nieuwe problemen kunt voorkomen.

1. Wat is dotteren precies?

"Als de kransslagaders rond het hart zijn dichtgeslibd, kun je ze met een dotterbehandeling weer openmaken. Dat is nodig omdat alle lichaamscellen via de drie kransslagaders van zuurstofrijk bloed worden voorzien. Dat dichtslibben gebeurt door afzetting van vetten en cholesterol. Aderverkalking noemen we dat. Hoe erger de vernauwing, hoe groter de kans op angina pectoris – pijn op de borst. Als een kransslagader helemaal dichtzit, kan er geen zuurstof meer bij het achterliggende spierweefsel komen en sterft een deel van het hart af. In dat geval spreken we van een hartinfarct. Met een dotterbehandeling los je de blokkade in de kransslagader zo snel mogelijk op om meer en/of blijvende schade aan het hart te voorkomen."

2. Hoe gaat dotteren in zijn werk?

"Via een slagader in de lies of de pols schuift een speciaal hiervoor opgeleide interventiecardioloog een dunne draad naar de vernauwing in de kransslagader van het hart. Dat gebeurt onder plaatselijke verdoving. Vervolgens brengt de cardioloog een ballonnetje in dat ter hoogte van de vernauwing meerdere keren wordt opgeblazen, totdat het bloedvat wijd genoeg is om het bloed weer goed te laten doorstromen. In verreweg de meeste gevallen – 92 procent – wordt ook een stent geplaatst: een piepklein metalen veertje, qua vorm vergelijkbaar met een veertje in een ballpoint. Zo’n stent geeft de vaatwand extra ondersteuning en voorkomt dat het bloedvat na het dotteren terugveert of dat er stukjes weefsel loslaten, wat een nieuwe verstopping kan veroorzaken."

3. Wanneer kies je voor dotteren?

"Bij vernauwing(en) in kransslagaders heb je drie opties: behandelen met medicijnen, dotteren of opereren. Welke keus de juiste is, hangt van veel zaken af, zoals de ernst en de plek van de vernauwing(en), de klachten, de pompkracht van het hart en de algehele conditie van de patiënt. Een multidisciplinair team met onder anderen een interventiecardioloog en een hartchirurg bepaalt in overleg of iemand voor een dotterbehandeling in aanmerking komt."

4. Wordt dotteren veel gedaan?

"Jaarlijks worden ongeveer 38.000 Nederlanders gedotterd. Ruim tweederde van hen is man. Gemiddeld zijn patiënten 66 jaar. Bij 56 procent was angina pectoris de aanleiding, bij 37 procent een hartinfarct. In ruim 95 procent van de gevallen is een dotterbehandeling succesvol. Wel is er een kleine kans (minder dan 5 procent) dat een behandeld vat later opnieuw gaat dichtzitten, zodat er een nieuwe dotterbehandeling of een operatie nodig is. Reststenose noemen we dat.

Het aantal ingrepen is de afgelopen decennia enorm gestegen. Door betere technieken, maar ook omdat we in steeds meer situaties voor een dotterbehandeling kiezen, vooral bij een acuut hartinfarct. We weten inmiddels namelijk dat dotteren bij een hartaanval op de lange termijn minder kans op blijvende schade geeft dan een behandeling met alleen medicijnen, zoals vroeger meestal gebeurde."

5. Is dotteren gevaarlijk?

"Nee. Bij minder dan één procent van de patiënten treedt er een complicatie op, bijvoorbeeld de beschadiging van een bloedvat of de vorming van een bloedstolsel. In zo’n geval moet een chirurg soms alsnog opereren."

6. Moet je ervoor worden opgenomen?

"Dat hangt ervan af. Bij een behandeling via de lies moet je meestal een nacht in het ziekenhuis blijven. Patiënten die via de polsslagader worden gedotterd, mogen vaak dezelfde dag naar huis. Dat heeft ermee te maken dat de kans op een nabloeding bij de pols kleiner is."

7. Wat zijn de nieuwste ontwikkelingen?

"Dotteren is alleen zinvol als een vernauwing van een kransslagader daadwerkelijk tot een zuurstoftekort in het hart leidt. We zijn steeds beter in staat om te bepalen in welke gevallen dat wel en niet het geval is, door de bloeddruk voor en na de plaats van de vernauwing te meten. Verder worden de stents steeds slimmer. Als je een ader oprekt en er een metalen veertje in plaatst, ontstaat er op die plek vaak verhard littekenweefsel. Dat kan ervoor zorgen dat zo’n vat naderhand sneller opnieuw dicht komt te zitten. Sinds een aantal jaar gebruiken we daarom stents die gedurende een paar maanden lokaal medicijnen afgeven om een ontstekingsreactie tegen te gaan, en zo littekenvorming helpen voorkomen.

Een ander probleem met metalen stents is dat ze voor altijd in het lichaam achterblijven. Als vet en cholesterol zich daaraan vasthechten, kunnen zich wederom nieuwe vernauwingen vormen. De laatste ontwikkeling is dan ook het gebruik van oplosbare stents van suikerachtige kristallen. Die worden in de loop van de tijd afgebroken, zodat het bloed uiteindelijk weer zo goed mogelijk door het opgerekte vat kan stromen. Ze zijn vooral geschikt voor jongere patiënten met een grote kans op nieuwe klachten in de toekomst, en voor patiënten met veel verschillende vernauwingen. Bijna alle dertig dottercentra in Nederland hebben inmiddels ervaring met het gebruik van oplosbare stents, al gaat het vooralsnog om kleine aantallen."

8. Waarom worden zoveel meer mannen gedotterd dan vrouwen?

"Hartproblemen ontwikkelen zich anders bij vrouwen. Ook geven ze bij vrouwen soms andere, vagere klachten. In plaats van pijn op de borst hebben ze dan last van algemene lamlendigheid, pijn in de bovenbuik, kaak, nek, rug of tussen de schouderbladen, kortademigheid, vermoeidheid, duizeligheid, een onrustig gevoel of misselijkheid en braken. Dat maakt het lastiger om bij vrouwen een goede diagnose te stellen en de juiste aanpak te bepalen. Zij krijgen dus niet altijd de juiste behandeling op het juiste moment. De laatste jaren wordt er gelukkig veel onderzoek naar deze sekseverschillen gedaan, zodat we vrouwen in de toekomst nog beter kunnen helpen."

9. Hoe weet je of een dottercentrum bij jou in de buurt goed is?

"Je kunt ervan uitgaan dat de kwaliteit in alle dottercentra op orde is. We stellen daar in Nederland namelijk veel strengere eisen aan dan bijvoorbeeld in België of Duitsland. Zo moet een instelling minstens vier interventiecardiologen in dienst hebben die jaarlijks ieder minimaal 150 ingrepen doen, zodat ze heel ervaren zijn. Verder moeten ze nauw samenwerken met huisartsen, specialisten en hartchirurgen en moeten patiënten er 24 uur per dag, zeven dagen per week terecht kunnen. Helaas kun je de kwaliteit van de verschillende centra als patiënt zelf nog niet vergelijken. De Nederlandse Vereniging Voor Cardiologie (NVVC) werkt er hard aan om deze gegevens inzichtelijk te maken, maar dat gaat nog een paar jaar duren."

10. Hoe verloopt het herstel?

"Na de ingreep moet je het been of de arm waarin is geprikt een paar dagen ontzien, maar daarna kun je normaal werken en sporten. Patiënten hebben vaak gedurende een week nog een trekkend gevoel op de borst. Dat kan geen kwaad en gaat vanzelf over. Verder moeten ze gemiddeld een jaar bloedverdunners gebruiken om de kans op nieuwe vernauwingen zo klein mogelijk te maken. Controle bij de trombosedienst is hierbij niet nodig.

Verder raad ik iedere patiënt aan om na een dotterbehandeling een hartrevalidatieprogramma te volgen. Daarbij krijg je niet alleen hulp om je conditie weer op te bouwen en gezonder te leven, er is ook psychische steun voor als je door je hartklachten angstig of somber bent geworden. Mensen met ernstige hartklachten die zo’n programma volgen, hebben 50 procent minder kans om opnieuw in het ziekenhuis te belanden en 30 procent minder kans om aan hartproblemen te overlijden."

11. Ben je na het dotteren definitief van de problemen af?

"Dat hangt ervan af. Een dotterbehandeling lost het acute probleem op, maar neemt de oorzaak – meestal een ongezonde levensstijl – niet weg. Daar moeten patiënten zelf mee aan de slag. Stoppen met roken verlaagt de kans op een nieuwe ernstige vernauwing bijvoorbeeld met 50 procent. Verder is het heel belangrijk om medicijnen die het cholesterol en de bloeddruk verlagen, trouw te nemen. Op die manier kun je het risico op nieuwe problemen zelf flink terugdringen."

Bron(nen):