donderdag, 29 oktober 2020

Hersenkneuzing: snelle klap met gevolgen

Hersenkneuzing ernstiger dan hersenschudding

Wie denkt aan een kneuzing zal in eerste instantie de link leggen met een arm of voet. Maar ook hersenen kunnen kneuzen en goed ook. Sterker nog: de gevolgen van een hersenkneuzing zijn erger dan een hersenschudding.

Het grootste verschil tussen een hersenkneuzing en een hersenschudding is dat bij de laatste het hersenweefsel niet beschadigd raakt. Bij een hersenkneuzing is dat wel het geval en dat is te merken aan de gevolgen: het bewustzijnsverlies is langer (bij een hersenkneuzing is een slachtoffer minstens een kwartier 'out') en dieper en er kunnen verlammingen optreden.

Er zijn ook symptomen die te vergelijken zijn met die van een hersenschudding: duizeligheid, hoofdpijn, geheugenverlies, misselijkheid en soms zelfs braken. Verder is het in beide gevallen vaak moeilijk om te concentreren en te oriënteren. Bovendien slaat de vermoeidheid sneller toe.

Ongeval Een hersenkneuzing ontstaat door een flinke klap op het hoofd, vrijwel altijd als gevolg van een verkeers- of sportongeval, een ongeluk of soms zelfs mishandeling. De hersenen knallen dan tegen de binnenkant van de schedel waardoor er een beurse plek ontstaat waar bloed en vocht zich ophopen. Door deze ophoping worden de hersenen weggedrukt.

Als zo’n situatie een uur tot dertig dagen duurt, is er sprake van lichte of middelzware hersenkneuzing. Duurt het langer dan is er sprake van een ernstige hersenkneuzing. Om precies vast te stellen hoe ernstig een kneuzing is, wordt er een MRI-scan of CT-scan uitgevoerd. Daarna volgt altijd een ziekenhuisopname.

Intensive care In het ergste geval wordt er een bed opgemaakt op de intensive care waar vervolgens vitale functies zoals ademhaling en temperatuur in de gaten worden gehouden. Een hersenkneuzing kan namelijk leiden tot een shock: door een tekort aan circulerend bloed in de bloedbaan kan het hart niet meer goed werken en krijgen vitale organen zoals de hersenen en de nieren te weinig bloed en zuurstof. Hierdoor kan in korte tijd bewusteloosheid optreden. Met een infuus kan dan razendsnel vocht of bloed worden toegediend. Als het moet kan de patiënt ook kunstmatig worden beademd. Het belangrijkste is dat patiënten na een kneuzing rust krijgen. Lichamelijk maar vooral ook geestelijk. Dus even geen tv, games en internet.

Genezing Aangenomen wordt dat een hersenkneuzing volledig kan genezen, al duurt dat vaak lang. De informatieverwerking van patiënten is vlak na het ontstaan van de kneuzing meestal laag. Dat herstelt vanzelf maar er zijn ook voorbeelden dat patiënten nog tot vijf jaar na een ongeluk mentaal trager reageren dan voorheen. Ook kunnen er tot wel een jaar na de klap problemen met de spiercoördinatie zijn. Over het algemeen is het zo dat hoe langer iemand buiten bewustzijn is, hoe ernstiger de gevolgen op langere termijn zijn. Ook maakt het nog verschil waar de hersenkneuzing plaatsvindt. Bij het voorhoofd of de slapen is ernstiger dan elders op het hoofd.

In vrijwel alle gevallen zal de kneuzing verdwijnen. Maar het is ook heel goed mogelijk dat er restverschijnselen blijven:

  • verlammingen
  • stoornissen van het zien en horen
  • problemen met slikken
  • epilepsie
  • desoriëntatie
  • geheugen-, spraak- en concentratiestoornissen
  • emotionele en persoonlijkheidsveranderingen (angst, depressie, irritatie)
  • motorische stoornissen (trillen)
  • psychosociale problemen (depressie, irritatie, egocentrisch gedrag)

Revalidatie Het zijn de restverschijnselen die tijdens een revalidatieperiode worden aangepakt. De duur en aanpak van de revalidatie is helemaal afhankelijk van de persoonlijke situatie van een patiënt. Zo kan er een fysiotherapeut, psycholoog of bewegingsagoog worden ingeschakeld maar net zo goed een maatschappelijk werker. Misschien is er een ergotherapeut nodig die advies geeft over het aanvragen van voorzieningen op het gebied van mobiliteit of persoonlijke verzorging. De revalidatiearts zal overleg hebben met de arboarts om te kijken of er op het werk iets veranderd moet worden. Soms zal ook een logopedist nodig zijn om te helpen bij het slikken of spreken.