donderdag, 28 oktober 2021

Waarom mannen meer brein hebben, maar niet slimmer zijn

‘Meisjes hebben interesse in andere mensen, jongens meer in objecten’

We dachten lange tijd dat de hersenen van mannen en vrouwen hetzelfde zijn. Maar de harde waarheid is dat mannen gemiddeld een groter brein hebben en meer hersencellen. Toch maakt dat de mannen niet slimmer. Hoe zit dat? Dit zijn de vier grote verschillen tussen het mannen- en vrouwenbrein, volgens psychiater en hoogleraar Iris Sommer in haar nieuwe boek ‘Het Vrouwenbrein’.

1. Vrouwen hebben kleinere hersenen

Het gemiddelde vrouwenbrein is fors kleiner dan dat van de man, zelfs meer dan tien procent. Dat lijkt op het eerste gezicht logisch, want mannen zijn gemiddeld langer, maar dat heeft er niks mee te maken. Ook wanneer je rekening houdt met lichaamslengte of gewicht blijft het verschil in afmeting van het brein aanwezig. 

Maakt dat mannen slimmer dan vrouwen? Nee, daar is geen overtuigend bewijs voor volgens Iris Sommer. Door de biologie heen zie je dat het formaat van de hersenen juist gekoppeld is aan intelligentie, maar vrouwen hebben mechanismen in hun hersenen die kunnen compenseren voor dat kleinere brein. De belangrijkste daarvan, is de verbranding in de hersenen. Dat is bij vrouwen gemiddeld vijftien procent hoger. Daarmee kunnen ze in hun kleinere brein meer energie genereren. 

2. Vrouwen hebben minder hersencellen

Mannen hebben in hun grotere brein ook nog eens meer hersencellen dan vrouwen; zo’n 231 miljard tegenover 197 miljard. Maar vrouwen hebben per cel meer verbindingen, en die zouden juist belangrijk zijn voor het denkvermogen. 

Dat lijkt een aanwijzing dat het vrouwenbrein evenveel potentie heeft als dat van mannen. Maar het heeft niet dezelfde potentie, volgens Sommer. Het mannenbrein, met veel zenuwcellen en minder verbindingen, zou beter uitgerust zijn om gespecialiseerde taken uit te voeren. Het vrouwenbrein, met minder zenuwcellen en meer verbindingen, lijkt ideaal om verschillende taken met elkaar te verbinden. 

3. Ander immuunsysteem

Verschillen tussen mannen en vrouwen in het immuunsysteem hebben grote effecten op het brein en de kans om bepaalde hersenaandoeningen te krijgen. Oestrogeen (het vrouwelijk geslachtshormoon) en testosteron (het mannelijk geslachtshormoon) hebben invloed op het immuunsysteem, en daar komen direct al de man-vrouw-verschillen om de hoek kijken. 

Oestrogeen werkt goed samen met het immuunsysteem, je zou het kunnen zien als een soort sidekick. Daardoor is het immuunsysteem van vrouwen gemiddeld reactiever, wat betekent dat zij sneller en heftiger reageren op een bacterie of virus. Ze lopen minder snel een heftige infectie op, en als dat toch gebeurt, genezen ze sneller. Maar er is ook een keerzijde: het immuunsysteem van vrouwen richt zich ook sneller tegen onzin-vijanden; dingen die geen kwaad kunnen. Testosteron, het mannelijke geslachtshormoon, zorgt er juist voor dat het immuunsysteem minder actief wordt. 

4. Ander stresssysteem

Er bestaan meerdere grote sekseverschillen op het gebied van stress, volgens Sommer. Wanneer mannen en vrouwen bijvoorbeeld aan dezelfde stressfactor worden blootgesteld, reageren mannen gemiddeld heftiger dan vrouwen. Ook de manier waarop mannen en vrouwen met stress omgaan, verschilt. Vrouwen zijn meer geneigd om te praten over iets wat hen stress bezorgt. Dat is deels aangeleerd gedrag, stelt Iris Sommer. Mannen zijn meer geneigd om afleiding te zoeken als reactie op stress. 

Fabels over het vrouwenbrein

Naast de vele verschillen tussen mannen- en vrouwenhersenen, zijn er natuurlijk ook overeenkomsten. Zo is er vaak beweerd dat vrouwen een bredere hersenbalk zouden hebben dan mannen, waardoor ze beter zouden kunnen multitasken. Iris Sommer stelt in haar boek dat dat niet waar is: er is geen verschil tussen mannen en vrouwen in de breedte van hun hersenbalken. 

Ook wordt vaak beweerd dat het gebruik van de hersenhelften anders is bij vrouwen dan bij mannen. De hersendominantie zou lager zijn bij vrouwen dan bij mannen; hun linkerhersenhelft zou minder dominant zijn voor taal. Het werd gedacht dat bij vrouwen de rechterhersenhelft ook actief is voor taal en bij mannen niet. Die theorie zie je volgens Sommer nog heel vaak terugkomen, maar het is niet waar. 

In ‘Het Vrouwenbrein’ van Iris Sommer kan je nog veel meer lezen over de verschillen in de hersenen van mannen en vrouwen, bijvoorbeeld waarom mannen beter ruimtelijk inzicht hebben en vrouwen beter zijn in taal.

Bron: ‘Het Vrouwenbrein’ van Iris Sommer