zondag, 20 oktober 2019

Leukemie, ontregelde groei van witte bloedcellen

Bloed(cel)kanker of beenmergkanker

Leukemie is een verzamelnaam voor verschillende vormen van kanker waarbij er te veel onrijpe, witte bloedcellen ontstaan. De aanmaak van normale bloedcellen komt dan in het gedrang, waardoor je allerlei klachten krijgt.

In 1845 diagnosticeerde John Hughes Benett als eerste leukemie. Toen wetenschappers in de 19de eeuw bij meerdere patiënten een teveel aan witte bloedcellen in hun lichaam ontdekten, noemden zij dit 'weisses blut', ofwel 'wit bloed'. De naam leukemie stamt af van het Griekse woord 'leukos', wat 'wit' betekent. De medische naam voor witte bloedcellen is leukocyten.

Wat is leukemie?

Leukemie ontstaat wanneer in het beenmerg afwijkende witte bloedcellen gaan woekeren. Beenmerg is de bakermat van al onze bloedcellen. Dit sponsachtig weefsel zit in het binnenste van de botten en bestaat onder andere uit pluripotente stamcellen. Deze stamcellen kunnen zich tot ieder soort bloedcel ontwikkelen: rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes.

Bij leukemie is er een overproductie van onrijpe witte bloedcellen. Deze groeien niet uit tot volwassen bloedcellen, maar ontsporen en hopen zich op in het beenmerg. Hierdoor komt de productie van normale bloedcellen in het gedrang en ontstaat er een tekort aan normale bloedcellen.

Dit heeft allerlei gevolgen. Zo veroorzaakt een tekort aan rode bloedcellen bloedarmoede. Een gebrek aan normale witte bloedcellen maakt je vatbaarder voor infecties. Heb je te weinig bloedplaatjes, dan kan dat tot bloedingen leiden.

In het beginstadium van leukemie zitten de onrijpe witte bloedcellen alleen in het beenmerg. Mettertijd verspreiden zij zich via de bloedbaan naar andere organen, waaronder de lymfeklieren, de milt en de lever. Dat leidt weer tot andere problemen.

Verschillende vormen

Er zijn verschillende soorten leukemie. Er bestaat een acute en een chronische vorm. Beide worden weer onderverdeeld in lymfoïde- en myeloïde leukemieën. Zo zijn er vier hoofdgroepen:

  1. Acute lymfatische leukemie (ALL)
  2. Chronische lymfatische leukemie (CLL)
  3. Acute myeloïde leukemie (AML)
  4. Chronische myeloïde leukemie (CML)

Acuut of chronisch

De mate waarin abnormale leukocyten (witte bloedcellen) rijpen, bepaalt het verschil tussen acute- en chronische leukemie. Bij acute leukemie rijpen geen van alle uit. Hierdoor ontstaat er vaak in korte tijd een overmaat aan deze onrijpe cellen en kunnen er al binnen een paar weken klachten optreden door een tekort aan gezonde bloedcellen. Zonder behandeling kan acute leukemie binnen een paar maanden fataal zijn.

Bij chronische leukemie rijpen de witte bloedcellen gedeeltelijk. Hierdoor functioneren ze nog redelijk goed. Omdat de kwaadaardige leukocyten langer leven dan de normale leukocyten, zullen ze deze uiteindelijk verdringen. Dit proces verloopt veel trager dan bij acute leukemie. Klachten kunnen daardoor jarenlang uitblijven. Het gebeurt nogal eens dat deze aandoening bij toeval wordt ontdekt. In de regel is chronische leukemie echter moeilijker te genezen dan een acute vorm.

Lymfatische,- of myeloïde leukemie

Het verschil tussen lymfoïde- en myeloïde leukemie hangt af van het type beenmergstamcel dat ontspoort. De voorloper van iedere bloedcel is een pluripotente stamcel. Hieruit kunnen zich twee soorten onvolwassen bloedcellen ontwikkelen:

  • Lymfoïde stamcellen. Een lymfoïde stamcel groeit via een lymfoblast uit tot een lymfocyt, een bepaald type witte bloedcel.
  • Myeloïde stamcellen. Myeloïde stamcellen groeien via myeloblasten uit tot rode bloedcellen, bloedplaatjes of twee typen witte bloedcellen: granulocyten en monocyten.

Lymfoïde leukemieën beginnen ergens in het rijpingstraject tussen lymfoïde stamcellen en (de verschillende soorten) lymfocyten die hieruit ontstaan. Lymfeklierkanker is een vorm van lymfoïde leukemie. Bij myeloïde leukemieën gebeurt dit ergens in het myeloïde traject.

Hoe vaak komt leukemie voor?

In Nederland krijgen jaarlijks ruim 2000 mensen de diagnose leukemie. ALL treft ongeveer 225 mensen. Dit zijn vooral kinderen van 0-14 jaar. Het is de meest voorkomende vorm van jeugdkanker. Bij CLL gaat het om zo’n 1000 mensen, met name ouderen. CLL komt vaker voor bij mannen dan bij vrouwen. Rond de 700 mensen tussen de 20-40 jaar en ouderen boven de 60 jaar krijgen de diagnose AML. Circa 165 keer wordt CML vastgesteld. In 70 procent van de gevallen zijn de patiënten ouder dan 50 jaar.

Oorzaak

Net als iedere vorm van kanker ontstaat leukemie door een verandering in het DNA (het genetisch materiaal) van een cel, in dit geval een beenmergstamcel. Hierdoor raakt de celdeling verstoord en verliezen nieuw gevormde cellen hun oorspronkelijke functie. Waarom dit bij beenmergstamcellen gebeurt, is vaak onbekend.

Bij CML is de boosdoener bekend: dat is het Philadelphia chromosoom (Ph). Door dit gemuteerde chromosoom wordt er een bepaald eiwit geproduceerd dat CML veroorzaakt. Ph wordt overigens ook bij 20 procent van alle ALL-patiënten gevonden. Het is een chromosoomafwijking die tijdens het leven ontstaat en die je niet doorgeeft aan je eventuele kinderen.

Omgevingsfactoren die mogelijk leukemie veroorzaken, zijn radioactieve straling en sommige chemische stoffen, zoals benzeen, ethyleenoxide en dieseluitlaatgassen. Mensen die werken in bepaalde beroepen hebben hierdoor een verhoogd risico op deze ziekte. Denk bijvoorbeeld aan mijnwerkers, boeren, kappers en medewerkers in de petrochemie en chemische wasserijen. Daarnaast is er een klein percentage (zo’n 3 procent) patiënten dat jaren na de behandeling van kanker met radiotherapie en chemokuur leukemie krijgt.

Tot slot zijn er aanwijzingen dat erfelijke aanleg mensen vatbaarder maakt voor leukemie. In sommige families komt de ziekte namelijk vaker voor. Ook mensen met aangeboren afwijkingen, zoals Downsyndroom, krijgen vaker leukemie.

Symptomen van leukemie

Alhoewel leukemie een scala aan klachten kan geven, zijn er een aantal symptomen die vaak voorkomen:

  • Ernstige, onverklaarbare vermoeidheid.
  • Zonder aanwijsbare reden afvallen.
  • Opgezette lymfeklieren, bijvoorbeeld in de hals, oksels of liezen.
  • Steeds terugkerende infecties.
  • Bloedingen en onverklaarbare blauwe plekken.
  • Zware bloedarmoede.
  • Verhoogde hartslag.
  • Opgezwollen of pijnlijke buik (door vergrote milt).
  • Gewrichtspijn en pijnlijke botten.
  • Nachtelijk zweten en/of koorts.

Hoe wordt de diagnose leukemie gesteld?

Heb je klachten die mogelijk wijzen op leukemie? Ga naar de huisarts voor nader onderzoek. Als hij of zij je vermoeden deelt, wordt er bloedonderzoek gedaan. Hierbij wordt ondermeer gekeken naar het aantal en de vorm van de verschillende type bloedcellen. Eventueel volgt hierna een beenmergpunctie, waarbij er met een dunne naald een pijpje bot (vaak uit het bekken) wordt verwijderd, waarin beenmerg zit.

Mogelijke aanvullende onderzoeken zijn:

Met deze onderzoeken kan worden vastgesteld waar in het lichaam de opgehoopte onrijpe leukocyten zitten.

Behandeling

Hoe leukemie behandeld wordt en wat de vooruitzichten zijn, hangt af van de leeftijd van de patiënt, het type leukemie en het stadium waarin de ziekte verkeert. Vaak wordt gekozen voor chemotherapie en bestraling. Daarnaast kan immuuntherapie worden ingezet om de ziekte terug te dringen. Bij deze behandelvorm zorgen medicijnen ervoor dat het eigen afweersysteem de kankercellen beter kan vernietigen. Ook kun je een stamceltransplantatie krijgen. In dit geval worden gezonde stamcellen van jezelf of een donor toegediend via een infuus. Dit is een zeer zware behandeling. Daarnaast kunnen medicijnen zoals bloedstelpende middelen (hemostatica) en pijnstillers worden voorgeschreven. Wanneer de afweer van de patiënt erg laag is, kan antibiotica helpen om ernstige bacteriële infecties te bestrijden.

Prognose

Bij acute leukemie geldt in het algemeen dat de kans op genezing bij jongere mensen groter is dan bij oudere mensen.

Circa 85 procent van de kinderen geneest van ALL. Bij volwassenen ligt het percentage op ongeveer 40 procent. Bij behandeling is de gemiddelde vijfjaarsoverleving bij ALL 28 procent, voor kinderen is de gemiddelde vijfjaarsoverleving boven de 70 procent.

Bij AML zijn de vooruitzichten voor veel patiënten veel minder goed. Bij behandeling is de gemiddelde vijfjaarsoverleving bij AML 20 procent. Kinderen hebben veel betere vooruitzichten: bij AML ligt deze rond de 60 procent.

CLL verloopt bij veel patiënten traag. In 60 procent van de gevallen houdt de ziekte zich de eerste 5-10 jaar rustig, waardoor zij niet perse behandeld hoeven worden. Uiteindelijk zal er echter een tijd aanbreken dat de ziekte agressiever wordt en met behandeling gestart moet worden. Helaas wordt bij CLL tot nu toe geen volledige genezing bereikt. De gemiddelde vijfjaarsoverleving van patiënten met CLL is 80 procent.

Ook bij CML is het ziektebeeld de eerste paar jaar rustig (de chronische fase). Als de ziekte in dit stadium wordt ontdekt, kan deze met medicijnen bij het merendeel van de patiënten goed onder controle gehouden worden. Als CML in een latere fase wordt vastgesteld, dalen de overlevingskansen van enkele jaren tot enkele maanden. CML kan alleen met een stamceltransplantatie (soms) worden genezen. De gemiddelde vijfjaarsoverleving van patiënten met CML is 70 procent.

Bron(nen):