woensdag, 28 oktober 2020

Hoe meten ze in de overgang mijn schildklierwaarden?

Ik hoorde dat je schildklier in de overgang trager kan gaan werken door de hormoonschommelingen. Er zou dan vaak sprake zijn van subklinische hypothyreoïdie, die niet meetbaar is. Daarnaast werd mij geleerd dat het zeer belangrijk is ook T3 te laten meten. Maar dat staat helemaal niet in de richtlijnen van de huisarts. Hoe zit dat nu precies?
Hella uit Purmerend

Miranda Boom, verpleegkundig specialist Interne geneeskunde met specialisatie (onder andere) schildklieraandoeningen bij het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis in Nijmegen en expert bij MijnSchildklierwijzer:

Veel vrouwen in de overgang ervaren klachten die op schildklierklachten lijken. Als ze met deze klachten naar de huisarts gaan en de schildklierwaarden worden bepaald dan zal bij een deel van de vrouwen blijken dat de schildklier (op het randje van) te langzaam werkt en er dus een subklinische hypothyreoïdie is. Maar is dit dan het gevolg van de overgang of toeval, dat is nog niet wetenschappelijk onderbouwd.

Een subklinische hypothyreoïdie is wel meetbaar: door het TSH te meten eventueel aangevuld met FT4 meting. De diagnose wordt gesteld bij een (licht) verhoogd TSH, en niet gesteld door meten van T3.

Je vraagt of de T3 ook gemeten moet worden? Nee, binnen de reguliere geneeskunde is het niet zinvol om T3 bepalingen te doen bij mensen met een normaal TSH zonder medicatie. Om een te langzaam werkende schildklier te ontdekken is een TSH-bepaling voldoende, indien verhoogd eventueel aangevuld met een T4 bepaling. T3 meting is alleen nodig bij uitzonderingen.

In de complementaire geneeskunde wordt er wel vaak op aangedrongen de T3 te meten. Er is dus een verschil tussen de visie van de reguliere zorg en de complementaire zorg. In de medische wereld is het meten van iets wat verder geen wetenschappelijke behandelconsequenties heeft niet zinvol. In het geval van T3 weten we eigenlijk niet goed wat we meten, wat we eventueel behandelen en wat de effecten van het geven van T3 zijn op langere termijn. Onderzoek hiernaar is in volle gang en daar is het wachten nog op.

Wanneer is aanvulling van T3 zinvol?

Toch meten we weleens T3 en ook wordt het wel gegeven als medicijn. Het meten van T3 is alleen te overwegen bij mensen met hypothyreoïdie en verdenking van een probleem met het omzetten van T4 naar T3. Dit zijn mensen met een te langzaam werkende schildklier die al levothyroxine hebben en die daarmee goed ingestelde schildklierwaarden hebben op hun persoonlijk setpoint en dan toch nog restklachten ervaren. Deze mensen geven aan dat ze zich sinds instellen op levothyroxine nog nooit de oude hebben gevoeld. Dan kán er een omzetprobleem van T4 naar T3 zijn en is behandeling hiervan te overwegen. Dan wordt er bij de behandeling met levothyoxine ook gestart met behandeling met liothyronine (T3). T3 behandeling  komt erg secuur en moet door een specialist gestart worden.

Let wel: er is geen wetenschappelijk bewijs omtrent het behandeleffect van T3. Ook kennen we de gevolgen op langere termijn nog niet van behandelen met T3 hormoon. Toch zijn er mensen die zich beter voelen na instellen op een combinatie van T4 en T3 medicatie. Verder onderzoek is nodig om patiënten met een T4 naar T3 omzetprobleem te kunnen helpen.