dinsdag, 28 januari 2020

Het mineraal mangaan

Haal het uit granen, rijst en noten

Mineralen als magnesium, ijzer en calcium ken je waarschijnlijk wel, maar er zijn ook minder bekende mineralen. Mangaan is er zo eentje. Toch is ook dit mineraal belangrijk voor je lichaam.

Mangaan is nodig voor de vorming van botweefsel. Verder is het spoorelement onderdeel van een aantal enzymen in het lichaam die betrokken zijn bij de energiestofwisseling. Ook wordt van mangaan gezegd dat het de lichaamscellen beschermd tegen oxidatieve stress.

Waarin?

Je vindt mangaan in granen, rijst, noten, bladgroenten, fruit, vlees, vis en thee. De mangaangehaltes in voeding verschillen aanzienlijk, maar liggen meestal onder de 5 milligram per kilogram. Graan, rijst en noten bevatten soms meer mangaan. Hoge mangaangehaltes worden aangetroffen in thee. Een gevarieerd voedingspatroon is belangrijk voor een goede mangaanvoorziening.

Voldoende?

De Gezondheidsraad geeft geen aanbevelingen voor mangaan. Wel heeft de Europese Voedselveiligheid Autoriteit een aanbeveling voor mangaan opgesteld die in Nederland wordt gebruikt. Voor volwassenen is dit 3 milligram. Bij kinderen tot 14 jaar varieert dit van 0,02 tot 2,0 milligram.

Mangaan wordt niet heel goed opgenomen vanuit het maagdarmkanaal. Als er veel calcium, ijzer of fosfaat in voeding zit, vermindert de opname van mangaan. Bij een laag gehalte verbetert de opname juist.

Teveel?

Een overschot aan mangaan veroorzaakt beschadiging van het zenuwstelsel. Dit komt echter zelden voor, alleen bij inname via sommige supplementen. De veilige bovengrens voor mangaan is 11 milligram per dag voor volwassenen en 2 milligram voor kinderen tot 3 jaar.

Tekort?

Bij mensen is er niets bekend over de gevolgen van een mangaantekort. In experimentele studies vonden wetenschappers wel huidafwijkingen bij mensen die een voeding kregen met te weinig mangaan. Bij proefdieren zijn afwijkingen in de hersenen en het skelet bekend. Er wordt ook gezegd dat een mangaantekort gepaard gaat met geestelijke en lichamelijk vermoeidheid, maar hiervoor is onvoldoende wetenschappelijk bewijs.

 

Bron(nen):