maandag, 21 oktober 2019

Eierstokkanker

Kwaadaardige gezwel in één of beide eierstokken

Bij eierstokkanker groeit er een kwaadaardig gezwel in één of beide eierstokken (ovaria), de orgaantjes die eicellen en hormonen produceren. De eierstokken zitten aan het uiteinde van de eileiders. Deze zitten vast aan de baarmoeder. Omdat de eierstokken vrij diep in het bekken liggen, hebben de meeste vrouwen in het begin van de ziekte geen klachten. Hierdoor komt eierstokkanker vaak pas in een laat stadium aan het licht.

Een vrouw komt ter wereld met honderdduizenden onrijpe eitjes in haar eierstokken. Vanaf de pubertijd rijpt er onder invloed van hormonen iedere menstruatiecyclus (meestal) één eitje. Ongeveer halverwege de cyclus komt het rijpe eitje vrij en kan zij zwanger raken. Dit wordt de eisprong, of ovulatie, genoemd. Wanneer haar eitjes opraken, gaat zij in de overgang.

Wat is eierstokkanker?

Ons lichaam maakt voortdurend nieuwe cellen aan. Hierdoor kunnen we groeien en kunnen beschadigde of verouderde cellen vervangen worden. Er kan echter iets misgaan in het genetisch materiaal van een cel, waardoor nieuw gevormde cellen geen nuttige functie meer hebben. Ze gaan zich daarbij ongeremd delen zodat er een gezwel uitgroeit. Wanneer dit gebeurt is er sprake van kanker.

Verschillende soorten eierstokkanker

Bij eierstokkanker (ook wel ovariumcarnicoom) ontstaan er kwaadaardige tumoren in het weefsel van de eierstokken. Het soort cellen dat ontspoort, bepaalt het soort eierstokkanker dat iemand krijgt. Grofweg onderscheiden we drie verschillende vormen:

  • Epitheliale eierstokkanker (of adenocarnicoom): In dit geval begint de kanker op het oppervlak van de eierstokken (het epitheel). Dit is de meest voorkomende vorm (80-90 procent) van eierstokkanker. Bij 15 procent van alle diagnoses betreft het een grensgeval tussen een goedaardige en kwaadaardige tumor. Dit worden ‘epitheliale borderline-tumoren’ genoemd.
  • Gonodale stromaceltumor: De kanker ontstaat uit de weefsellaag die hormonen produceren (de stroma). Er bestaan verschillende soorten tumoren die in deze groep vallen. Meestal is dit een zogenoemde ‘granulosaceltumor’. Vaak produceert deze vrouwelijke geslachtshormonen (oestrogenen). Dit kan onregelmatig bloedverlies veroorzaken.
  • Kiemceltumor: De tumoren ontstaan uit onrijpe eicellen. Deze vorm van eierstokkanker is erg zeldzaam en komt vooral voor bij jonge meisjes.

Groeiwijzen

In het beginstadium beperkt de tumor zich tot één of beide eierstokken. Vanuit hier kan eierstokkanker rechtstreeks doorgroeien naar omringende weefsels en organen, zoals de eileiders, de blaas en de darmen. Er kunnen ook kankercellen losraken en in de buikholte terechtkomen. Hier kunnen zij zich via de normale vloeistofstroom in de buikholte verspreiden en zich via de lymfeklieren in dit gebied uitzaaien naar de longen en andere organen. Omdat de eierstokken vrij in de buikholte liggen, kan dit al in het beginstadium van de ziekte gebeuren. Wanneer eierstokkanker zich heeft uitgebreid naar ander weefsel en/of organen wordt er gesproken van een vergevorderd stadium.

Cijfers

Eierstokkanker is de op één na meest voorkomende vorm van kanker aan de vrouwelijke voortplantingsorganen (schaamlippen, clitoris, schede (vagina), baarmoeder, eileiders, eierstokken). Jaarlijks wordt deze ziekte bij circa 14 op de 100.000 Nederlandse vrouwen vastgesteld. Dat komt neer op ongeveer 1000 vrouwen. Zij zijn meestal tussen de 50 en 70 jaar oud. Bij 70 procent van de gevallen wordt eierstokkanker pas in een laat stadium ontdekt.

Oorzaken en risicofactoren

Er is maar weinig bekend over het ontstaan van eierstokkanker. Er zijn wel aanwijzingen dat hormonen een sleutelrol spelen. De ziekte blijkt bijvoorbeeld vaker voor te komen bij vrouwen die:

  • Geen of weinig kinderen kregen.
  • Pas op latere leeftijd hun eerste kind kregen.
  • Vroeg begonnen te menstrueren.
  • Laat de menopauze bereikten.

Een groot aantal zwangerschappen en het gebruik van anticonceptie lijken eierstokkanker juist te voorkomen.

Erfelijke aanleg

In 5 tot 10 procent van de gevallen is erfelijke aanleg een risicofactor: vrouwen bij wie baarmoederkanker, borstkanker of dikkedarmkanker in de familie voorkomt, hebben meer kans op eierstokkanker.

De symptomen

Omdat de eierstokken vrij in de buikholte liggen, verdrukken tumoren die hier groeien in het beginstadium geen organen. Hierdoor geeft vroege eierstokkanker meestal geen of weinig klachten. De symptomen ontstaan vaak pas als de ziekte zich heeft uitgebreid. Je kunt dan last krijgen van de volgende verschijnselen:

  • Een dikker wordende buik/ opgeblazen gevoel.
  • Moeite met eten door een vol gevoel.

Deze klachten worden veroorzaakt door vochtophoping in de buik en/of het groter worden van de aangetaste eierstok(ken).

  • Misselijkheid
  • Buik- of bekkenpijn
  • Meer dan normaal plassen
  • Obstipatie
  • Onregelmatig vaginaal bloedverlies
  • Soms draait de eierstok om zijn eigen as, wat acute pijn veroorzaakt
  • Ernstige vermoeidheid
  • Onverklaarbaar gewichtsverlies

Bovenstaande klachten hoeven niet te duiden op eierstokkanker, maar als ze langer dan drie weken aanhouden, is het belangrijk om je door de huisarts te laten onderzoeken. Als je buik snel dikker wordt, is het verstandig om direct naar de huisarts te gaan.

De diagnose

Om eierstokkanker en eventuele uitzaaiingen te kunnen vaststellen, zijn verschillende onderzoeken nodig, waaronder:

  • Algemeen lichamelijk onderzoek. Meestal wordt als eerste de buik onderzocht. De arts kan bijvoorbeeld ook voelen of de lymfeklieren in de hals zijn opgezwollen.
  • Inwendig onderzoek. Een zogenoemde ‘eendenbek’ (speculum) wordt in de vagina ingebracht om de vagina en baarmoedermond te kunnen inspecteren.
  • Echoscopie van de eierstokken, eileiders en baarmoeder. Bij dit onderzoek wordt gebruik gemaakt van geluidsgolven om de inwendige geslachtsorganen zichtbaar te maken.
  • Een kijkoperatie (lacrosopie). Via een kleine insnijding vlak onder de navel, worden de eierstokken onderzocht met een dunne, flexibele kijkbuis.
  • Bloedonderzoek.
  • CT-of MRI-scan. Om eventuele uitzaaiingen op te sporen wordt er met röntgenstralen een beeld gemaakt van het lichaam.

De behandeling

De behandeling van eierstokkanker hangt af van het stadium van de ziekte. De meest toegepaste behandelvormen zijn:

Vaak wordt een combinatie van deze behandelingen toegepast. Vrouwen met eierstokkanker worden zelden bestraald.

Operatie en chemotherapie

Als de arts eierstokkanker in een laag stadium vermoedt, doet hij een ‘stadiëringsoperatie’. Hierbij verwijdert hij de tumor en kijkt of er uitzaaiingen zijn in nabijgelegen organen en weefsels. Om dit te kunnen vaststellen, neemt hij van verschillende plaatsen in de buikholte stukjes weefsel weg (biopten). Deze worden onder een microscoop onderzocht op de aanwezigheid van kankercellen. Wanneer blijkt dat de ziekte in een vroeg stadium zit en niet erg agressief is, kan het voldoende zijn om één eierstok te verwijderen (in plaats van beide eierstokken en de baarmoeder).

Debulking

Debulking is een operatie die wordt toegepast wanneer eierstokkanker zich heeft uitgebreid. Hierbij worden naast de eierstokken en baarmoeder zoveel mogelijk zichtbaar kwaadaardig weefsel verwijderd (bijvoorbeeld in de inwendige vetschort, lever, lymfeklieren en darmen). Hierna volgt meestal chemotherapie: met celdodende of celdelingremmende medicijnen wordt getracht eventuele uitzaaiingen te vernietigen die niet zichtbaar zijn. Het is ook mogelijk dat de patiënt eerst met chemotherapie en daarna met een debulkingoperatie wordt behandeld. Wanneer niet al het kankerweefsel weggehaald kan worden omdat er dan teveel schade aan de organen zou ontstaan, volgt er soms een tweede debulkingoperatie na drie chemotherapiekuren.

De vooruitzichten

Bij de behandeling van eierstokkanker in een vroeg stadium is de kans op genezing goed. Van alle vrouwen die voor de ziekte in stadium I worden behandeld, is 70 tot 100 procent na vijf jaar nog in leven. In een vergevorderd stadium zijn de vooruitzichten beduidend slechter. Na vijf jaar is dan nog maar 5 tot 40 procent in leven. Wanneer alle zichtbare uitzaaiingen verwijderd konden worden, is de vijfjaar overleving 60-70 procent.

Bron(nen):