dinsdag, 30 november 2021

Epilepsie bij kinderen

Herhaaldelijke aanvallen

Epilepsie begint meestal op jonge leeftijd. Raakt je kind een keer even buiten bewustzijn, dan hoeft het geen epilepsie te hebben, er zijn allerlei andere mogelijke oorzaken. Hoe wordt de diagnose epilepsie gesteld? En welke vormen zijn er?

Wat is epilepsie?

In Nederland hebben ongeveer 20.000 kinderen epilepsie. Bij epilepsie krijgt een kind aanvallen. Er ontstaat als het ware kortsluiting in een van de netwerken in de hersenen. Een andere naam voor een epilepsieaanval is insult, convulsie, stuip of toeval. In het Engels noemen ze het seizures.

Epilepsie begint meestal op jonge leeftijd. Sommige vormen van epilepsie komen alleen bij kinderen voor en gaan weer over als ze ouder worden. Als de epilepsie bij oudere kinderen ontstaat, is er vaak een onderliggend probleem in de hersenen (tumor, infectie).

Symptomen epilepsie bij kinderen

Tijdens een aanval kan je kind verschillende verschijnselen vertonen. Het kan vallen, schokken en vreemde bewegingen maken. Je kind kan even afwezig zijn of buiten bewustzijn raken. De aanval kan zich voordoen in een deel van het lichaam (focaal), waarbij het kind nog (deels) bij bewustzijn kan zijn, maar het is ook mogelijk dat alle spiergroepen meedoen (gegeneraliseerd) en er bewustzijnsverlies optreedt.

Raakt je kind een keer even buiten bewustzijn, dan hoeft het geen epilepsie te hebben. Er zijn heel veel mogelijke oorzaken voor tijdelijk bewustzijnsverlies.

Oorzaken epilepsie bij kinderen

Vaak wordt er geen oorzaak gevonden.

Een epilepsieaanval kan uitgelokt worden door:

  • koorts - wanneer een kind regelmatig koortsstuipen heeft (epilepsieaanval bij koorts), maar geen aanvallen heeft zonder koorts, spreekt men NIET van epilepsie, maar van herhaaldelijke koortsstuipen. Slechts een klein deel van deze kinderen krijgt op latere leeftijd epileptische aanvallen zonder koorts.
  • een infectie, zoals hersenvliesontsteking of een ontsteking van het hersenweefsel
  • een te laag glucose- of calciumgehalte in het bloed
  • tijdens de geboorte of later ontstaan hersenletsel
  • onderliggende afwijkingen in de hersenen

Epilepsievormen typische voor de kinderleeftijd

Er zijn verschillende vormen van epilepsie. Bij jonge kinderen zijn de hersenen nog niet uitgerijpt. Er kunnen zich daardoor bij hen epilepsievormen voordoen die typisch zijn voor de kinderleeftijd en die met het ouder worden weer verdwijnen. Bijvoorbeeld de stuipen die zich kunnen voordoen bij pasgeboren baby’s (neonatale convulsies), absences op de kinderleeftijd, de zogenoemde Rolandische epilepsie, het syndroom van West of het syndroom van Lennox-Gastaut. Deze vormen staan hieronder beschreven.

Er zijn zowel goedaardige vormen van epilepsie als epilepsievormen waarbij sprake is van een veel ernstigere onderliggende hersenafwijking.

Syndroom van West (epileptische of infantiele spasmen)

Begint rond de zesde levensmaand. Een kind buigt plotseling het hoofd naar voren en beweegt de armen en handen naar elkaar toe (salaamkrampen). Het kan één keer voorkomen, maar meestal vinden er meerdere aanvallen achter elkaar plaats. Kinderen vertonen een vertraging of stilstand in de ontwikkeling. De aanvallen kunnen vaak lastig te behandelen zijn en er is speciale behandeling vereist omdat de standaardmiddelen tegen epilepsie niet voldoende werken.

Vaak houden kinderen er neurologische afwijkingen aan over, zoals autisme of een verstandelijke handicap. De prognose hangt sterk samen met de oorzaak van het syndroom van West, bij ongeveer 4 van de 5 kinderen wordt een onderliggende oorzaak gevonden (hersenbeschadiging, genetisch syndroom, stofwisselingsziekte).

Rolandische epilepsie

Dit is een goedaardige epilepsievorm. De aanvallen beginnen zo rond de kleuterleeftijd of wat later, bij verder gezonde kinderen. Net voor het wakker worden in de vroege ochtend treden de aanvallen op. De aanval is te zien in het gezicht, aan de mond en keel. Er zijn een soort smakbewegingen, met kwijlen, terwijl het kind wel bij bewustzijn blijft. Later als de aanval vordert, kan hij zich uitbreiden en wel met bewustzijnsverlies gepaard gaan. Deze vorm van epilepsie hoeft niet altijd met medicijnen behandeld te worden. Dit is afhankelijk van de frequentie van aanvallen.

Absences

Dit zijn aanvallen waarbij een kind plotseling voor zich uit staart zonder contact met de omgeving te hebben. Ze duren vaak maar een paar seconden. Kenmerkend is dat kinderen stoppen met waar ze mee bezig zijn en na de aanval weer gewoon verder gaan met deze activiteiten. Op een dag kan een kind veel van deze aanvalletjes hebben, zonder dat je kind of de ouders het merken. Soms zijn tijdens de aanval bewegingen in het gezicht zichtbaar (knipperen met de ogen) of friemelen kinderen met de handen. Hyperventilatie lokt absences uit. Medicatie helpt meestal goed.

Gegeneraliseerde aanvallen met trekkingen in armen en benen (tonisch clonische aanval)

Dit is de vorm die vroeger wel ‘grand mal’ werd genoemd. Hierbij is er in alle hersengebieden epileptische activiteit ontstaan. Mogelijk begon het wel eerst in een enkel gebied maar is het snel overgegaan naar de gegeneraliseerde vorm. Een kind valt plotseling op de grond, verstijft, vaak gevolgd door schokbewegingen in armen en benen, in broek plassen en op de tong bijten. Het kind klemt de kaken op elkaar, waardoor je de mond niet kunt openen. Hoe lang de aanval duurt, is verschillend, maar meestal gaat de aanval binnen 5 minuten over. Na de aanval herinnert je kind zich er niets meer van. Deze vorm van epilepsie wordt vaak gezien en wordt meestal met medicijnen behandeld.

Diagnose epilepsie

Om te kunnen vaststellen of je kind epilepsie heeft en zo ja welke vorm, is het belangrijk om te weten hoe de aanvallen verlopen. Wat gebeurde er, op welk tijdstip op de dag vond de aanval plaats, hoe lang duurde het en welke verschijnselen had je kind? Schrijf zulke informatie op. Film de aanval eventueel met je mobiele telefoon.

Herhalen de aanvallen zich, dan gaat dan vaak via een vast patroon. Hierdoor kan later duidelijker worden van welke epilepsievorm je kind last heeft. Er wordt sowieso pas van epilepsie gesproken als je kind herhaaldelijk aanvallen krijgt.

Bij alle kinderen bij wie de arts vermoedt dat het wel eens epilepsie zou kunnen zijn, wordt er een EEG gemaakt. Hierbij wordt de hersenactiviteit gemeten. Soms wordt er een EEG gemaakt tijdens de slaap, nadat je kind een nacht wakker is gebleven (dat heet een slaapdeprivatie EEG). Een andere mogelijkheid - die vooral in academische centra of in epilepsiecentra wordt toegepast - is een EEG in combinatie met het filmen van je kind. Niet alle kinderen met epilepsie hebben een afwijkend EEG. Daarnaast kan er een MRI- of CT-scan gemaakt worden, dit hangt af van de epilepsievorm die vermoed wordt.

Behandeling epilepsie bij kinderen

Kinderen met epilepsie kunnen diverse medicijnen voorgeschreven krijgen. Deze heten anti-epileptica. Bij sommige kinderen moet de behandeling in een speciaal gespecialiseerd centrum plaatsvinden. Dit kan nodig zijn als de epilepsie niet goed onder controle blijft ondanks de medicatie. Of als de artsen je kind langer willen observeren.

In een epilepsiecentrum kan ook de invloed van de epilepsie op het schoolwerk beoordeeld worden. Kinderen met epilepsie kunnen problemen hebben op school, omdat ze een lagere intelligentie hebben of omdat ze dyslectisch zijn. Ook hebben kinderen met epilepsie vaak problemen met hun werkgeheugen, waardoor ze allerlei problemen hebben op school.

Gevolgen voor de hersenen

Het doormaken van een epileptische aanval beschadigt de hersenen niet. Frequente epileptische aanvallen kunnen er wel voor zorgen dat de ontwikkeling van een kind wordt bemoeilijkt.

Wanneer naar de huisarts?

Raakt je kind een keer even buiten bewustzijn, dan hoeft het geen epilepsie te hebben. Er zijn heel veel mogelijke oorzaken voor tijdelijks bewustzijnsverlies. Voor de zekerheid kun je het wel met de huisarts bespreken als je kind een keer plotseling buiten bewustzijn is geraakt of een andere vorm van een aanval heeft gehad.

Kijk voor meer informatie op de website van het Epilepsiefonds.

Dit artikel is goedgekeurd door Dr. J.M. de Bont, kinderarts-kinderneuroloog in UMC Utrecht.

Laatst herzien op