maandag, 16 september 2019

Angststoornis (angst)

Bij een angststoornis ben je extreem bang voor een bepaalde situatie of maak je je in het algemeen onnodig veel zorgen, waardoor je problemen krijgt in je dagelijks leven. Een gz-psycholoog of psychiater is bevoegd om de diagnose te stellen. Wie krijgen makkelijker een angststoornis? En welke behandelingen zijn er?

Wat is een angststoornis?

Het is normaal om af en toe bang te zijn. Deze reactie beschermt je tegen gevaar. Maar als je regelmatig erg angstig bent terwijl er geen gevaar dreigt, kan dit voor problemen zorgen in je dagelijks leven en je kwaliteit van leven verminderen. Je hebt dan een angststoornis. Ongeveer een op de vijf mensen krijgt hier in zijn of haar leven mee te maken.

Er zijn verschillende angststoornissen:

  • Piekerstoornis (gegeneraliseerde angststoornis): je maakt je bijna de hele tijd zorgen over hele normale activiteiten of gebeurtenissen.
  • Paniekstoornis: je hebt regelmatig paniekaanvallen, waarbij je plotseling erg angstig bent.
  • Sociale angststoornis: je bent bang dat anderen je niet aardig vinden en je afwijzen of veroordelen.
  • Plein- of straatvrees (agorafobie): niet goed naar plaatsen durven waar je niet goed weg kunt, zoals winkels of openbaar vervoer.
  • Ziektevrees (hypochondrie): je bent bang dat je een ernstige ziekte hebt wanneer je een pijntje of een kleine afwijking hebt.
  • Specifieke fobie: extreme angst voor een specifieke activiteit of voorwerp, bijvoorbeeld angst voor spinnen (arachnofobie), hoogtevrees of vliegangst.
  • Selectief mutisme: niet durven praten in bepaalde situaties. Dit komt vooral voor bij kinderen.

Oorzaken

Angststoornissen ontstaan door een combinatie van verschillende factoren. Soms ontstaan ze door een lichamelijke aandoening of door het gebruik van medicijnen of drugs.

In sommige families komen angststoornissen vaker voor dan gemiddeld. Erfelijke factoren kunnen een rol spelen bij het ontstaan van deze aandoeningen. Maar ook de opvoeding en het gezin waarin je opgroeit kunnen het risico op een angststoornis verhogen, net als het meemaken van ingrijpende gebeurtenissen (trauma’s).

Ook je persoonlijkheid kan invloed hebben op het krijgen van een angststoornis. Moeilijk gevoelens kunnen uiten, weinig steun krijgen, je eenzaam voelen en de neiging om conflicten te vermijden kunnen allemaal het risico op een angststoornis verhogen.

Symptomen

Meestal ontstaat een angststoornis geleidelijk. Je gaat de enge situatie vermijden, waardoor de angst voor de situatie steeds groter wordt. Je gaat gesprekken en confrontaties over je angst uit de weg. Sommige mensen gaan veel eten of alcohol of drugs gebruiken om zich minder bang te voelen.

Symptomen van een angststoornis zijn onder meer:

  • je angstig voelen
  • bezorgdheid
  • piekeren
  • nervositeit
  • prikkelbaarheid
  • rusteloosheid
  • concentratieproblemen
  • vermoeidheid
  • slaapproblemen
  • lichamelijke klachten als hoofdpijn, buikpijn en spierpijn

Symptomen van een paniekaanval zijn onder andere:

  • hartkloppingen
  • duizeligheid
  • trillen
  • zweten
  • benauwdheid en snel ademen (hyperventilatie)
  • pijn op de borst
  • tintelingen rondom je mond en in je armen en benen
  • angst voor controleverlies
  • gevoel van onwerkelijkheid, alsof je er zelf niet helemaal bij bent
  • gevoel gek te worden

Hoe wordt de diagnose gesteld?

Heb je bovenstaande symptomen en heb je daar regelmatig last van in je dagelijks leven, bijvoorbeeld op je werk of in relaties met familie of vrienden? Ga dan naar je huisarts. Hij/zij verwijst je voor verdere diagnostiek door naar een gz-psycholoog of psychiater. Zij vragen welke symptomen je hebt en welke invloed de klachten hebben op je leven. Soms gebruiken ze daarvoor bepaalde vragenlijsten.

Risicogroepen

Sommige mensen hebben een hoger risico op het krijgen van een angststoornis:

  • Mensen met een lagere opleiding en met een laag inkomen.
  • Werklozen.
  • Mensen die alleen wonen.
  • Mensen die een depressie hebben (gehad).

Behandeling

Voor de behandeling van een angststoornis kun je bij verschillende zorgverleners terecht: je huisarts, praktijkondersteuner Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) in de huisartsenpraktijk, een psycholoog, psychotherapeut of psychiater. De behandeling bestaat meestal uit cognitieve gedragstherapie, eventueel in combinatie met medicijnen. Ook aanvullende therapieën kunnen helpen.

Cognitieve gedragstherapie bestaat uit gesprekken met een psycholoog of psychiater waarin je leert hoe je je angstige gedachten kunt verminderen en hoe je je angst kunt overwinnen. Deze gesprekken worden gecombineerd met huiswerkoefeningen om de blootstelling aan datgene waar je bang voor bent langzaam te vergroten (exposure therapy oftewel blootstellingstherapie). In sommige gevallen kan virtual reality therapy (virtuele-realiteitstherapie) ingezet worden om levensechte enge situaties na te bootsen met een speciale bril. Een behandeling met cognitieve gedragstherapie duurt meestal een aantal maanden tot een jaar.

Je huisarts of psychiater kan ook medicijnen voorschrijven tegen de angst. Antidepressiva zijn medicijnen tegen depressie, die ook goed helpen bij angststoornissen. Voorbeelden van antidepressiva zijn paroxetine, sertraline en imipramine. De bijwerkingen wisselen per medicijn en worden meestal minder naarmate je het medicijn langer gebruikt. Stop je medicijnen nooit zelf, maar bouw ze altijd af in overleg met je arts.

Het duurt een aantal weken voordat je het effect van de antidepressiva merkt. In deze periode kan de angst tijdelijk erger worden. Je arts kan daarvoor kalmeringsmiddelen (benzodiazepines) voorschrijven, zoals oxazepam of diazepam. Je kunt er wel suf van worden, dus bedenk goed of je daar last van gaat hebben in je dagelijks leven. Het kan zijn dat je niet goed voor anderen kunt zorgen, je werk minder goed kan doen en bovendien mag je niet altijd autorijden wanneer je benzodiazepines gebruikt. Omdat deze medicijnen verslavend zijn, kun je ze beter maximaal een tot twee weken gebruiken.

Naast cognitieve gedragstherapie en medicijnen zijn er nog een aantal methoden die kunnen helpen om een angststoornis te verminderen. Met mindfulness en Acceptance and Commitment therapy (acceptatie- en inzettherapie, ACT) kun je leren om de angst en de bijkomende emoties te accepteren, waardoor ze minder worden. Ontspanningsoefeningen en ademhalingsoefeningen kunnen helpen om je angst te beheersen. Voor sommige mensen is muziektherapie of bewegingstherapie (psychomotore therapie) een goede manier om om te leren gaan met stress en prikkels en om meer zelfvertrouwen te krijgen.

Prognose

Met een goede behandeling kunnen de meeste mensen hun angst goed onder controle krijgen. Maak samen met je behandelaar een plan voor het geval de angsten terugkomen. Dit wordt een signaleringsplan genoemd. Daarin staat onder andere hoe jij en je naasten kunnen merken dat het slechter gaat en wat je dan kunt doen.