dinsdag, 15 oktober 2019

VR-bril effectief als behandeling bij hoogtevrees

Een volledig zelfgestuurde behandeling met behulp van virtual reality (VR) is effectief voor het verminderen van hoogtevrees. Dat blijkt uit onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) en Universiteit Twente, onder leiding van VU-onderzoeker Tara Donker.

De onderzoekers ontwikkelden de VR-app ZeroPhobia. De behandeling wordt gedaan via deze app en een eenvoudige VR-bril.

Zo'n twee tot vijf procent van de Nederlandse bevolking leidt aan hoogtevrees. Door gebruik van de app, welke is gebaseerd op cognitieve gedragstherapie (CGT), kunnen de symptomen van hoogtevrees sterk worden verminderd. Donker: "We kunnen nu CGT voor fobieën aanbieden zonder tussenkomst van een therapeut, maar gewoon met de smartphone van de patiënt en een VR-bril die nog geen 10 euro kost."

Effectieve behandeling

Het belangrijkste element van CGT om fobieën zoals hoogtevrees te behandelen is 'blootstelling'. "Patiënten worden in de VR-omgeving geleidelijk blootgesteld aan situaties die zij eng vinden. In het geval van hoogtevrees staan ze bijvoorbeeld op een hoog gebouw of balkon. Op die manier leren ze stapje voor stapje omgaan met hun angst. Omdat ze weten dat de VR-omgeving niet echt is, zijn ze sneller bereid met hun angst aan de slag te gaan. En omdat ZeroPhobia volledig geanimeerd en gamified is kunnen ze het zelfs leuk vinden om te volgen. Nu we hebben geleerd hoe we hoogtevrees effectief kunnen behandelen, kunnen we gaan werken aan de ontwikkeling behandelingen voor andere angsten zoals vliegangst, spinnenangst en claustrofobie."

Het feit dat de therapie zo laagdrempelig en veilig kan worden aangeboden, opent deuren voor mensen die kampen met de negatieve effecten van hun fobie, maar niet naar een specialist kunnen of willen stappen. "Je hoeft de deur niet uit en je afspraken maken met een behandelaar is niet nodig. Daarmee komt behandeling binnen bereik van een veel grotere groep mensen. Ook blijft het betaalbaar."

De resultaten zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift JAMA Psychiatry.