maandag, 21 oktober 2019

Horen dankzij het cochleair implantaat

Uitkomst voor doven en slechthorenden

Een gehoorapparaat biedt niet voor alle mensen met doofheid of slechthorendheid uitkomst. Soms kunnen mensen ondanks een hoortoestel zeer weinig verstaan. Het cochleair implantaat vormt dan een mogelijkheid. Het implantaat versterkt geen geluiden, maar neemt de functie van de zintuigcellen in het binnenoor over.

In een gezond oor worden geluidstrillingen omgezet in elektrische signaaltjes. Dit gebeurt in het binnenoor: het slakkenhuis. Deze elektrische signalen worden via de gehoorzenuw naar de hersenen gestuurd. Daar hoor je, want je hersenen nemen de signalen waar als geluid. Bij doofheid of ernstige slechthorendheid zit het probleem bijna altijd in het slakkenhuis. Geluidstrillingen kunnen dan niet worden omgezet in elektrische signalen, waardoor je hersenen geen geluid waarnemen.

Het cochleair implantaat (CI) neemt het werk van de beschadigde delen van het binnenoor over. Het apparaat wordt via een operatie ingebracht en zet geluid om in elektrische pulsen die de gehoorzenuw rechtstreeks stimuleren. Hierdoor kunnen doven en slechthorenden weer iets horen.

Onderdelen

Het CI bestaat uit twee delen. Een inwendig en uitwendig gedeelte. Het inwendige deel wordt tijdens een operatie geplaatst. Het bestaat uit een ontvangstspoel en een elektrodedrager met daarom een aantal elektroden. De ontvangstspoel zit net onder de huid achter het oor, de elektroden worden in het binnenoor geplaatst.

Het uitwendige gedeelte bestaat uit een oorhanger met daarin een microfoon, spraakprocessor en een zendspoel. De oorhanger draag je op de huid achter het oor. Soms is daarnaast een extra kastje met elektronica nodig.

Elektrische pulsen

De microfoon van het uitwendige gedeelte vangt geluid op en de spraakprocessor zet het om in elektrische pulsen. De zendspoel op de huid geeft deze weer door aan de ontvangstspoel onder de huid. Het signaal reist via de ontvanger verder naar de elektroden in het binnenoor.

De elektroden geven de elektrische pulsen af en die worden opgevangen door de zenuwuiteinden van de gehoorzenuw. Op die manier komt het signaal dus uiteindelijk in de hersenen terecht. De gehoorzenuw en de achterliggende zenuwbanen moeten dus nog wel goed functioneren.

Niet zomaar

Door de implantatie van het CI gaat vaak de functie van nog werkende zintuigcellen verloren. Pas als iemand te weinig baat heeft bij de veelgebruikte hoortoestellen is het CI een mogelijkheid. Volwassen komen in aanmerking als zij tot hun vijfde levensjaar nog iets gehoord hebben. Als iemand nooit de kans heeft gehad om spontaan een gesproken taal te leren begrijpen en spreken is het resultaat namelijk vaak teleurstellend.

Bij kinderen wordt de implantatie zo vroeg mogelijk uitgevoerd, maar niet voor de eerste verjaardag. Hoe jonger het kind is bij de implantatie des te beter is het resultaat. Bij doof geboren kinderen vind de operatie bij voorkeur voor het vijfde levensjaar plaats.

Volwassenen en kinderen die recent doof zijn geworden na een hersenvliesontsteking komen met voorrang in aanmerking. Enkele weken tot maanden na de ontsteking kan er namelijk verbening (vorming van bot) optreden in het slakkenhuis. Dit kan de implantatie bemoeilijken.

Operatie

Aan de operatie gaat een selectieprocedure vooraf. Een CI-team beoordeelt medische, audiologische, psychologische, communicatieve en psychosociale factoren. De hele procedure neemt vaak meerdere weken tot maanden in beslag. In principe krijgt een van beide oren een implantaat. Als je in aanmerking komt, zal het CI-team ook beslissen welk oor geopereerd gaat worden.

De operatie vindt plaats onder algehele narcose en duurt meestal een paar uur. De opname in het ziekenhuis is meestal een aantal dagen. Tijdens de operatie wordt alleen het inwendige gedeelte geplaatst. Ongeveer een maand na de operatie wordt ook het uitwendige gedeelte aangebracht. Vervolgens wordt de werking van het implantaat goed afgesteld. Dit duurt meestal zo'n vijf weken.

Risico's

De kans op complicaties bij de operatie is klein. De risico's zijn vergelijkbaar met andere ooroperaties. Naast algemene risico's als infecties en wondgenezingsproblemen, komen soms ook tijdelijke evenwichtsproblemen en oorsuizen voor. Na de implantatie kan een uitval of beschadiging van de aangezichtszenuw voorkomen, maar die kans is gering. Ook ontstaat een licht verhoogde kans op hersenvliesontsteking: daarom worden alle mensen die in aanmerking komen voor een CI gevaccineerd tegen deze aandoening.

Het implantaat gaat ook niet eeuwig mee: het inwendige gedeelte 10 tot 15 jaar. Daarna is een herimplantatie nodig. Voor de uitwendige apparatuur geldt een levensduur van gemiddeld 7 jaar.

Revalideren

Als je eenmaal een CI hebt zul je (opnieuw) moeten leren horen. Je moet leren om nieuwe informatie waar te nemen en te interpreteren. De hersenen hebben vaak nog geen auditief geheugen opgebouwd, dus geluiden worden niet herkend. Met behulp van een hoortrainingsprogramma, meestal met een logopedist, leren mensen met een CI prikkels te koppelen aan spraak- en omgevingsgeluiden.

Horen

Het CI is geen 'superhoortoestel': CI-gebruikers blijven slechthorend. De kwaliteit van de geluids- en spraakwaarneming met het CI is ook anders dan bij goedhorende. Een goedhorende mens beschikt over ongeveer 3.000 zintuigcellen om de geluidssignalen door te geven aan meer dan 30.000 zenuwuiteinden. De functie van de zintuigcellen wordt bij een CI overgenomen door 16 of 22 elektroden. Dit maakt het horen anders en beperkter.

De meeste mensen met een CI zijn in staat om harde en zachte geluiden te horen. Ook het zoemen van de koelkast. Het uitbannen van storende achtergrondgeluiden als het tikken van een klok of het geruis van een kopieerapparaat is vaak lastiger. Ook hebben mensen moeite met het bepalen waar geluid vandaan komt. Toch kun je met een CI uiteindelijk vaak zelfs telefoneren.

Bron(nen):