donderdag, 7 juli 2022

Diabetesmedicijn ten onrechte eerste keus

Veel Nederlandse artsen schrijven het diabetesmedicijn gliclazide voor omdat het minder snel zou leiden tot een te lage bloedsuikerspiegel. Het geeft echter een even groot risico op een te lage bloedsuikerspiegel als de meeste vergelijkbare medicijnen voor de behandeling van ouderdomsdiabetes. Dat blijkt uit onderzoek van het Maastricht UMC+ en de Universiteit Utrecht.

Een te lage bloedsuikerspiegel (ook wel hypo genoemd) kan leiden tot hoofdpijn, trillingen, duizelingen en zelfs tot bewusteloosheid. Een fenomeen dat minimaal eens per jaar voorkomt bij 1 procent van de patiënten met ouderdomsdiabetes.

Kans op hypo

In Nederland zijn bijna 700.000 mensen die diabetesmedicatie gebruiken om hun ziekte onder controle te houden. Gliclazide is één van de meest voorgeschreven middelen, omdat dit een lagere kans op een hypo met zich mee zou brengen in vergelijking met andere medicatie.

"Onze onderzoeksresultaten weerleggen dat", zegt Frank de Vries. Hij en zijn collega’s analyseerden gegevens van ruim 120.000 Britse patiënten met diabetes mellitus type 2 in de periode tussen 2004 en 2012. Daaruit blijkt de kans op een hypo 2,5 keer verhoogd te zijn bij gliclazide-gebruikers. Dat is vergelijkbaar met andere medicatie (zoals glipizide of glimepiride) en in tegenstelling tot wat de richtlijnen stellen.

Wees alert

De onderzoekers concludeerden tevens dat gliclazide-gebruikers met een slechte nierfunctie nog eens een dubbel zo hoog risico op een hypo hebben ten opzichte van mensen met een gezonde nierfunctie. De bijsluiter raadt artsen af om gliclazide-achtige geneesmiddelen voor te schrijven aan patiënten met ernstige nierfunctiestoornissen.

"Toch gebeurt dat wel", zegt De Vries. Volgens de Maastrichtse ziekenhuisapotheker moeten artsen alerter zijn: "Gliclazide-medicatie is wel degelijk zinvol voor de behandeling van ouderdomsdiabetes, maar voorzichtigheid is geboden als sprake is van een verstoorde nierfunctie."

De resultaten zijn gepubliceerd in het British Medical Journal.

Bron(nen):