zondag, 15 december 2019

Orgaandonatie: na je dood levens redden

Lever, nieren, longen, hart, pancreas

In Nederland is het mogelijk om organen en weefsels te doneren. Organen zijn in de meeste gevallen levensreddend, terwijl weefsels vooral de kwaliteit van leven van de ontvangende patiënt aanzienlijk verbeteren. Van de 10.000 ja-geregistreerden in het donorregister, kan gemiddeld één persoon na overlijden organen doneren.

Organen kunnen na het overlijden gedoneerd worden (post-mortaal) of bij leven. In het laatste geval betreft het dan een nier of een deel van de lever. Organen die geschikt zijn voor transplantatie zijn de lever, de longen, het hart, de nieren, de alvleesklier (pancreas) en de dunne darm.

Lever

De meest voorkomende oorzaken van leverproblemen zijn: erfelijkheid, infectie door een virus (hepatitis), in aanraking komen met giftige stoffen of medicijngebruik. Leverziekten bij kinderen kunnen bijvoorbeeld ontstaan door slecht aangelegde galwegen of een gebrek aan bepaalde enzymen. Alleen patiënten die zo ernstig ziek zijn dat andere behandelingsmethoden niet meer helpen, komen in aanmerking voor een levertransplantatie.

Gevolgen zieke lever

Is de lever ziek, dan kan dat ernstige gevolgen hebben. Produceert de zieke lever te weinig stollingseiwitten, dan blijven wondjes langer bloeden. Maakt hij te weinig van een bepaald eiwit aan, dan ontstaat vochtophoping in buik en benen. En wanneer de lever giftige stoffen niet meer onschadelijk kan maken en afvoeren, treedt een dalend bewustzijn op. Soms met dodelijke afloop.

Eén donorlever, twee transplantaties

Er is een groot tekort aan levers, met name voor kinderen. Een lever van een overleden donor wordt daarom ook wel gesplitst: de grootste rechterkant ervan wordt bij een volwassene getransplanteerd en het linkerdeel gaat naar een kind.

Longen

Patiënten op de wachtlijst voor een longtransplantatie lijden aan een ernstige longziekte, zoals longfibrose of emfyseem. Bij deze aandoeningen vindt een enkelzijdige longtransplantatie plaats. Dubbelzijdige longtransplantaties worden uitgevoerd wanneer de organen chronisch geïnfecteerd zijn, zoals bij 'taaislijmziekte' (cystic fibrosis).

Hart

Het hart is een spier die het bloed door het lichaam pompt. Daarom is het noodzakelijk in te grijpen wanneer er iets mis is. Denk aan een operatie aan bijvoorbeeld de hartkleppen of de bloedvaten van het hart. Soms is harttransplantatie de enige manier om in leven te blijven. Iemand komt voor transplantatie in aanmerking wanneer er sprake is van een zeer ernstige hart- of hartspierziekte: de overlevingskans zonder transplantatie is dan uiterst klein.

Nieren

De nieren zuiveren het bloed. Zij zorgen onder andere voor de verwerking en verwijdering van afvalstoffen en voor de afvoer van overtollig vocht uit ons lichaam. Wanneer de nieren niet goed werken, kan het lichaam vergiftigd worden. Met de dood als gevolg.
In afwachting van een niertransplantatie kan een nierpatiënt in leven blijven door een dialysebehandeling.

Nierpatiënten hebben vaak dieet- en vochtbeperkingen en andere (fysieke) problemen van het dialyseren. Een niertransplantatie kan een minder beperkt leven geven. In principe kan één gezonde nier al het werk doen. Daarom krijgt de ontvanger van een donornier per transplantatie altijd maar één nier.

Alvleesklier

De alvleesklier (pancreas) speelt een belangrijke rol bij de stofwisseling. Dit orgaan maakt het hormoon insuline aan. Insuline regelt de energiehuishouding van het lichaam. Als er geen of te weinig insuline wordt gemaakt, spreken we van suikerziekte (diabetes).

Suikerziekte

Suikerziekte, ofwel diabetes, kan leiden tot nierafwijkingen. Deze kunnen zo ernstig zijn dat nierdialyse of niertransplantatie noodzakelijk is. Aangezien de nieren door de suikerziekte niet meer goed functioneren, wordt in de meeste gevallen de alvleesklier samen met een nier getransplanteerd.

Dunne darm

Van de darmen kan de dunne darm worden getransplanteerd. De dunne darm haalt alle voedzame bestanddelen uit het eten. Een transplantatie is noodzakelijk wanneer door darmaandoeningen (bijvoorbeeld de ziekte van Crohn) de dunne darm ernstig is verkort. In plaats van enkele meters is er dan minder dan een halve meter overgebleven.

Kunstmatige voeding

Patiënten met deze aandoening krijgen kunstmatige voeding. Bij sommigen kan dit op den duur leiden tot levensbedreigende problemen, zoals bloedvergiftiging, leverfunctiestoornissen, groeistoornissen (bij kinderen) en uiteindelijk het ontbreken van een toegang voor voeding via de aders. Een nieuw stuk darm helpt de schade te beperken. Na een succesvolle dunne darmtransplantatie is de patiënt niet meer afhankelijk van kunstmatige voeding.

Bron(nen):