woensdag, 30 september 2020

Wat is angst?

Wanneer wordt angst een stoornis?

Bang, gespannen, bezorgd: gevoelens van angst zijn je waarschijnlijk niet onbekend. Schrikken in een onverwachte situatie, zenuwen voor een belangrijk gesprek of zorgen over je gezondheid bijvoorbeeld. Waarom ervaar je angst? En wanneer wordt angst een probleem?

Angst is een normale reactie bij dreigend gevaar. En dat is maar goed ook. Je lichaam komt in een staat van paraatheid en maakt zich klaar om te reageren op de situatie of te vluchten. Je hart gaat sneller kloppen, de bloeddruk stijgt, spieren spannen zich aan, je transpireert en je ademhaling versnelt. Het leidt ook tot voorzichtigheid.

Soms gaat angst gepaard met klachten als duizeligheid, wazig zien en een verdoofd gevoel of tintelen in je armen of vingers. Plotselinge en hevige angst wordt ook wel paniek genoemd. Een gevoel van angst of paniek is gelukkig meestal van korte duur.

Angststoornis

Bang kun je ook zijn als er geen aanleiding voor is. Dit hoeft nog niet direct problemen te geven, maar wanneer de angst groot is, onnodig lang aanhoudt en last geeft in het dagelijks leven dan is er sprake van een angststoornis. Bij een angststoornis of fobie staan de angstige gevoelens (of bezorgdheid, vrees, verhoogde spanning) namelijk niet meer in verhouding tot dat waar je bang voor bent.

Bijna 20 procent van de Nederlanders krijgt in zijn leven een angststoornis. Vrouwen vaker dan mannen. Een psycholoog of psychiater stelt de diagnose, met daarbij het onderscheid in verschillende angststoornissen waaronder:

Klachten

Mensen met een angststoornis hebben veelal last van hoofdpijn, buikpijn, problemen met slapen, geen zin in eten, problemen met de concentratie, bezorgdheid, prikkelbaarheid, onrust en spanning. Tijdens een angst- of paniekaanval komen daar vaak nog klachten bij waaronder hartkloppingen, pijn op de borst, hyperventilatie, misselijkheid en duizeligheid, een gevoel van onwerkelijkheid en angst om de controle te verliezen.

Oorzaken

Waarom de een banger is aangelegd dan de ander en waarom sommige mensen een angststoornis ontwikkelen is niet duidelijk. Erfelijkheid speelt een rol: in bepaalde families komen angststoornissen vaker voor. Waarschijnlijk beïnvloeden neurotransmitters in de hersenen de gevoeligheid voor angst en paniek. De manier waarop je met angst omgaat, lijkt voor een deel ook aangeleerd. Opvoeding en ervaringen uit het verleden zijn dus eveneens belangrijk.

Een angststoornis begint vaak na een ingrijpende gebeurtenis, bijvoorbeeld een sterfgeval, ernstige ziekte of verhuizing. De aanleiding is echter lang niet altijd negatief: denk maar aan een huwelijk of geboorte van een kind.

Verder zijn er persoonlijkheidskenmerken die invloed kunnen hebben. Slecht voor jezelf opkomen, moeilijk je gevoelens kunnen uiten of de neiging hebben om conflicten uit de weg te gaan, zijn hier voorbeelden van. Mensen met een verslaving of depressie lijken ook vaker een angststoornis te ontwikkelen, maar het is onduidelijk of dit de oorzaak of het gevolg is.

Herkennen

Angstklachten komen veel voor, maar worden niet altijd herkend. Veel mensen hebben al lang last van angsten voordat ze hulp zoeken. Daarbij kan het zo zijn dat de angst geleidelijk verergert. Hulp zoeken is van groot belang. Zeker als er sprake is van een stoornis, deze gaat deze niet vanzelf over. Wacht dus niet te lang en praat over je angsten met bekenden.

Moeilijke situaties vermijden, is in ieder geval niet de oplossing. Je moet gedachten leren te veranderen. Het bijhouden van een dagboekje kan een begin zijn. Het oproepen van geruststellende gedachten of ontspanning zoeken, helpt soms bij het doorstaan van de angst en het afwachten tot je je beter voelt. Er zijn daarnaast allerlei cursussen en online zelfhulpprogramma’s voor het aanpakken van lichte psychische klachten.

Behandeling

Bij aanhoudende klachten of wanneer je niet meer goed kunt functioneren, is meer hulp nodig. Samen met de huisarts kun je kijken waar je behoefte aan hebt. Cognitieve gedragstherapie wordt vaak gekozen bij angststoornissen, ook antidepressiva helpen goed. De huisarts zal je indien nodig doorverwijzen naar een praktijkondersteuner GGZ (POH-GGZ) of psycholoog.

 

Trefwoorden: